Skip to content
1737

De Schiedamse jeneverstoker

Anoniem

Op een schoone Vois. Wie hoor ik kloppen aan myn deur, Terstont quam daar een Pater veur, Deo gracia mon Pere. Is Pater Gardiaan niet t’huys, Ik moet hem salueren. Pater Gardiaan heeft ‘er belet, My dunkt hy zit in zyn gebed, Hy zal terstond wel komen: Gaat ‘er na agter al in den Hof, Aanschouwt de schoone bloemen In den agter al in den Hof gegaan, Terstont quam Pater Gardiaan: Ik ging hem te gemoeten, Ik viel op by myn knien neer,

En kusten zyne voeten. Pater Gardiaan ik bendere belaan, Hoe dat het te Leuven is toegegaan, Ik ben in groot verlangen: Waar of den brief zo lange blyft, Op dat ik die ontfangen Had gy naar Holland niet gegaan, Gy had ‘er de Kap wel aangedaan, Maar wilt daarom niet treuren: Want al de Paters van ons Convent, Die zyn tot u faveuren. Pater Capucyn ‘t is al te groote pyn, Men drinkt hier geenen Linze Wyn: En den Tabak moet men derven, Kaartspel en Tiktakbort, Dat moeten wy afsterven. Oorlof Iongmans wieje moogt zyn, En wort dog geenen Capucyn, Het mogt u zomtyds rouwe: Neemt liever een Meysje by de hant, En maakt daar van een Vrouwe.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De Schiedamse jeneverstoker · Anoniem · Poetry Cove