Skip to content
1737

De Schiedamse jeneverstoker

Anoniem

Een Nieuw Vermakelyk Lied van een aardige Boer, die al zyn Vee verkogt om ‘t byslapen van een Hoer. Stem: Van ‘t Koekwyf. Vrienden luistert ziet, Watter is misdreven, ‘t Is een klugtig Lied: ‘t Wort u hier beschreven, Al van een Boer: Die raakten aan ‘t doolen, En zyn goed en geld brogt in Venus schoole: Vrinden blyft wat staan, ‘k Zal u zingen gaan. ‘t Was een Weeuwenaar, Dezen Boer wilt weten, Geld en goedje klaar:

Had gy nog gezeten, En al zyn Vee, Ossen Schapen Koeyen Paarden Wagens mee: Schuyten om te roepen, Maar zyn naam ziet, Zal ik noemen niet. Buiten ’s Gravenhaag, Was den Boer woonagtig, Hy quam alle daag: In de Stad zeer pragtig, By een Iuffrouw, Die hy wel beminde: Maar de Hoer ontrouw, Wist hem te verblinde, Want al haar gezoen, Was maar om de poen. Dezen Huysman quam, Na de Iuffrouw vryen, Maar dit soete Lam: Wist hem zo te vleyen, Dat dezen Boer, Al zyn Vee verkogte: En ‘t geoldje klaar, By de Hoertjes brogte: Want het minnespel, Smaakten hem zo wel. Vrouw tapt bier en wyn, Sprak den boer wilt weten, Haalt wat Marssepeyn: Dat wy ook wat eeten, Drinkt lustig om, Wilt maar vreugde rapen: Met myn schoone blom, Zal ik tavond slapen: Sprak den Boer valjant, Hier op ‘t Ledikant. ‘t Was avous Sante,

Iuffrouw hoog geprezen, ‘t Is maar geld van ‘t Vee, Laat ons vrolyk wezen: Sa wat u lust, Ik zal ‘t halen laten, Liefste weest gerust: Want ik heb nog platen, Sprak den Boer kurieus, Zy steken in myn beurs. Als de Iuffrouw zag, Dat den Boer had schyven, Sprak zy ik zal ‘t gelag, Eens ter deeg opschryven: Met Ioosjes kryt, Schreef zy twee voor eene, Heeft tot hem gezeit, Huysman wilt eens ziene: Dertig gulden agt, Zo zwaar is uw gelag. Hy betaalden haar, Door de Min ontsteken, Dertig gulden klaar, En begon te spreken, Ik heb nog meer Specy van Ropalen, Als dat is verteert: Zal ik meer gaan halen, Vrouw stryk weg u geld, Het is ‘er getelt. ‘t Geldje tot een duyt, Van den Boer met lusten: Moest eerst zyn verbruyd, Eer hy wou gaan rusten, Maar als den Boer, Meenden vreugt te rapen, Sprak de snode Hoer, wilt gy by myn slapen, Daar moet voor myn.

Nog een ducaatje zyn. Al myn geld is weg, Sprak den Boer met zugten, Og ik arme knegt, waar zal ik nu vlugten, Hoe heb ik zo: Myn geld gaan verdoene, By een Hoere sno: En niet eens te zoenen, Sprak den Boer konfuys, ‘k Heb geen munt of kruys. Al myn Vee en goed, Heb ik gaan verkopen, En het geldje zoet Met den Hoer verzopen, Nu moet ik mee, Na Oostinje varen: Door de woeste Zee, Voor zes zeve jaren, Maar ‘k verfoey den dag, Doen ik de Hoer eerst zag. Oorlof voor het lest, Gy Huysluy en Boeren, ‘k Raad u maar ten best: Wagt u voor de Hoeren: Want haar gemal, Is maar om te praten, Daarom Huysluy al, Wilt de Hoertjes haten, Past wel op u Koe, En houd u bakhuys toe.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De Schiedamse jeneverstoker · Anoniem · Poetry Cove