Skip to content
1737

De Schiedamse jeneverstoker

Anoniem

Een Nieuw Minne-lied, van een Iongman en een Dogter, en hoe de Dogter haar zelve liet in een Vat Kuipen, om dat haar Ouders het niet hebbe wou dat zy zoude Trouwen, dewelke door een Sleper buiten de Poort gebragt wierd, daar haar Minnaar verwagte. Vois: Ik drink de nieuwe most. Hoe wonder is de min, Wat heeftze kueren in: o Vryery, gy zyt van wonder kragt? ‘t Is groot en klein, ‘t moet buigen voor u magt, dit zal ons Rotterdam, wel zoet en aardig gaan betoonen an? wat kragt de min is onderworpen? wanneer een teere maagt, des werelds wonder waagt. Een juffrouw jonk en schoon, Lieftallig van per-

zoon? wierde verzogt ten houwelyken staat, Van een perzoon niet van geringe graat? Een jonk Heer als een Vorst, Die dag en nagten na dees juffrouw dorst: En met zyn min haar zo bekoorden, datze wiert bestreen, door zyn wel leventheen. Ia geen gewenster Paar, Sag men in menig jaar, Zyn trouwigheit en groote vriend’lykheit, En kan niet zyn met monde uit gezeit, de vloer daar zy op ging, dogt hem te wezen al te harden ding, Al zyn vermaak was min te tonen, En Cares te doen, met kusjes en gezoen. Dus kreeg dees geld de gunst, door zyn Vamour en kunst, want zyn Matres verovert door zyn min, Heeft op dees Helt gesteld haar hert en zin: maar ziet doen juist ter tyd, wierde dees Iuffrouw nog van een gevryt, die ook zyn dienst wou gaarn besteden, Aan dit schoone Beeld, Het welk haar heeft verveelt Maar hoe het was of niet, Zyn min behaagd haar niet; of hy te koel was of geen vuur had, Zy wil hem niet: schoon hy haar dikmaal bad, En ziet den Vader weer, die wou haar geven aan die drogen Heer, Waar op zy met vrymoedighede; en gehoorzaamheit dit tot haar Vader zyt. Mompeer wilt niet vermoen, dat ik yet weg zal gaan doen: Tegens u zin maar blyven die ik zy, En sneiden af al wat is vryery; Zo gy my wilt besteen, Aan die wiens min my strekt tot groot geween, Want Trouwen tegens dank, Is rouwen ‘t leven lank. Op ‘t lest wierd belet: En goede wagte gezet, dat niemant by haar kost komen weer: En quam op straten nog geen wegen meer: ey ziet wat gaat men doen, wie zou zo grooten listigheit vermoen: onder haar Huis woonden een Kuiper; daar mee wort overleit: wat best nu diend bereit. De Kuiper zy zeer koen, Siet ziet dit most gy doen daar is een luik, daar meenig stoopjen wyn, Is deur

gesnuikt: om vry accys te zyn: Terstont men vald aan ‘t werk; de Grendels van dit Luik gebroken sterk, Siet daar, daar komt dees Zon door dalen, By haren Minnaar neer; En maakten geen gebeer. De Kuyper nam een vat, daar hy den boom uyt had: daar liet de Maagt haar doe besluiten in, Ey ziet de kragte van de reine min, Als zy was in het bat: de Kuyper met zyn dissel reyt hem wat, En gaat den bodem weer toe maken, leit kussens onder ‘t lyf, Tot des juffrouws geryf. Terwylen wort gehaalt, Een sleper ongefaalt, die ‘t Maagde-vat zal slepen na de Poort; ‘t welk alles wel en metter haast ging voort, Toen brak het vat aan twee: Een Rozenobel voor de sleper mee, de jonker nam zyn zoete juffer, snellyk op zyn paart, En heeftze wel bewaart. Ziet hier de liefdens kragt, zo groot is Hemels magt: Hoe dat een minnaar hem geen werk ontziet; En hoe een Vryster agt het leven niet, De Goden zelfs hoe hoog, Zyn dik gewond door Cupidootjes boog, En hebben haren Troon verlaten: Om haeren lust en zin, Te blusschen door de min.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De Schiedamse jeneverstoker · Anoniem · Poetry Cove