Skip to content
1737

De Schiedamse jeneverstoker

Anoniem

Stem: Als’t begint. Daar zou ‘er een Ruyter uit jagen gaan, En uit jagen aan een groen kant, Hy vond daar niet te jagen; Als een overschoone Maget, En de schoonste heel Figelant. En de Ruiter tegen het meisje sprak, En Lief wilje dan met myn gaan, En ik zelder u schoone kind leiden: Al zo ver aan een groen heiden, Daar de geele goud Roosjes staan. Den dag verging en den avond quam aan, Deze Maget was moe van gaan: Een stoeltje liet zy haar zetten, En een beddetjee liet zy haar dekken, Want haar slapens tyd quam aan. Snapts ontrent het was middernagt, Deze Maget ontwaakte zeer: Staat op stont Ruitertje koene, En gaat wandelen in dat groene, Want de nagt is gepasseert. Het is ‘er voorwaar den dageraat niet, Maar het is ‘er de maneschyn: En komt keert ‘er u meisje eens omme, En gy zyt ‘er myn wellekomme, En kom spreker een woordje met myn. Smorgens vroeg als ‘t was schoon dag, Zy zy Sustertje geeft myn raad,

Ik heb by den Ruiter geslapen: En ik heb ‘er myn maagdom gelaten, Roem van Maagdetje als ik was Dat gy by den Ruiter geslapen hebt, Lief dat isser u eerbaarheit: Roemt nooyt Maagdcen van u eere: Men vind zulke Dogters wel meer, Wagt jou op een ander tyd.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De Schiedamse jeneverstoker · Anoniem · Poetry Cove