Pertinent en Omstandig Verhaal, van het verongelukken van de agt Oost-Indische Retour Schepen, de Flora, Westerwyk, Paddenburg, Ipenroden, Duinbeek, Roodenrys, Goudriaan en de Buis, dewelke op den 21. Mey 1737 door een verschrikkelyke Storm of Orcaan uit den Noord-Westen aan de Caap de goede Hoop zyn gebleven. Stem: ô! Holland schoon, enz. Ey luistert toe gy Zeelui al, Wat ik u zal verklaaren, Helaas! een droevig ongeval, Het welk in veel Iaaren, Of moog’lyk nooit zo is gebeurt, Een zaak waarom gantsch Neerland treurt, Zal ik te kennen geven,
Gelyk ons werd geschreeven. Agt Schepen kwamen met malkaar, Van Neerlands Injen vaaren, Tot op de Caapze Ree: alwaar Zy raakten in bezwaaren: Door ‘t woede van de woeste Zee, En ‘t buld’ren van de Winden mee, ô! Hemel Heer gepreezen, Wie zoud u magt niet vreezen De Scheepen Flora, Westerwyk En Paddenburg verheeven, Duynbeek, de Buys en Roodenryk, ‘t Schip Goudriaan daar neeven: En Ipenrooden zyn vergaan, ô! God wie kan voor u bestan, Wy zyn tot allen stonden, In uwe magt bevonden. Men was reeds vaardig, om van daar Naar Holland heen te streeven, Indien ‘t den Heer behaaglyk waar, Haar goeden wind te geeven. Maar ag! helaas! door een Orcaan, Zyn die agt Scheepen daar vergaan, Die ryk geladen Kielen, Met zo veel hondert Zielen. Hoe meenig heeft daar wel met magt, Tusschen de Dood en ‘t Leeven Geworstelt, eer dat hem zyn kragt, Ten vollen heeft begeven, Daar men geleegen in de Vloet, Zyn leeven, ach! verliezen moet, En sterven in de Baaren, Schoon Oud of Ionk van Iaaren. Helaas! dit droevig ongeval, Dat men daar zag gebeuren, Veel Eeeuw en Weezen maken zal, Die reeds zo droevig treuren,
Voornamentlyk in Amsterdam, Daar men dees tyding ‘t eerst vernam, Waar aan men nog veel Iaaren, Zal denken, met bezwaren. Men zal met schrik van deeze tyd Nog lang hier na wel spreeken. Zy dagten, na dat zy den tyd. Van twee of wel drie weeken, Van alles zig hadden voorzien, (Zo ‘t na Gods schikking mogt geschien) Aan ‘t lieve Neerlands Kusten, Zig haast wel te verlusten. Het heeft den Hemel niet behaagt, Haar goeden Reis te geeven: Hoe meenig Vrouw zit thans en klaagt, Dewyl haar tweede leeven, Haar Man daar op bescheiden was, Die moog’lyk op de Pekel-plas, Daar mede is gebleeven, En zo verloor zyn leeven. Hoe meenig Kind, heeft door die Vloot Zyn Vader ook verlooren, Vermits aan hem ook zulken Dood, Was op die plaats beschooren, Waar door zo meenig klaagt en treurt, Om ‘t geene dat daar is gebeurt, Ia ‘t meest van Neerlands Steeden, Hebben daar by geleeden. ’k Wensch dat den Hemel zal ons land Voor meer zulk’ onheils spaaren, Ia dat den Zeeman t’allen kant Zal wel nooit kwalyk vaaren, En dat Oost-Injes Maatschappy, Hoe langs hoe meer gezegent zy, En dat wy alle leeven, Om Gode lof te geeven:
Cookies on Poetry Cove