Op een aengename Melody, Stem: Als 't begint. SChoon Herderin, gy doet my sterven In dese tijdt: Indien ick u aenschijn sal moeten derven, Dat mijn hert verblijdt: Want u soet wesen mijn behagen, Schoonste Engelin, Gy zijt die ick bemin: Want om by nacht en dagen, Treur ick schoon godin Mijn heer ick ben een herderinne, Seer slecht in 't wout: Die smorgens treckken ga te velt-waer inne Door het gras bedout, Al met mijn schaepjes om te grasen, In de groene hey, Daer ickse dan geley: Hoor ick mijn herder blasen, Meenigh melody Gy zijt een maegt een pronk der wereld, Die dient gekroont Te zijn met gout en diamant beperelt, Voor u schoonheyt schoon: Indien gy wilt u schapjes laten, In de groen wey, Komt treckt na 't Hof met my, 'k Sal u vogdesse maken Van mijn heerschappy. Sou ick mijn schaepjes gaen begeven, In 't groende dael, En minnen om met u te leven In u hoffsche prael, Daer ick mijn altijdt ga vermeyden, Met mijn herder siet, Die meenigh minne-liet, Gaet spelen voor ons beyden, Op zijn herders riet Gy sult veel meerder vreucht verwerven,
Hier op het Hof, Als met uw' Schaepjes smorgens te gaen zwerven, Door het zandt en stof: En 't Snaer-gespel en Melodyen; 't Welck hier staegh geschiet, Men weet van geen verdriet; Ick sal uyt speelen ryen, Door mijn gantsch gebiedt. Mijn Heer gy zijt seer rijck en machtig, En groot van goed; En ick een Herderin slecht eendrachtig, Die mijn Schaepjes hoed: Hoe sou gy u soo verneeren, In 't Veldt by mijn hier, Daer gy tot u playsier, Komt in 't Woudt cortiseeren, Pan het Hof gezwier. Vertrouwt gy dan mijn Herderinne, Als dat ick sou, U vleyen om te werden mijn slavinne; En te zijn ontrouw: Dat sult gy niet aen mijn bespeuren, Overschoonste maegt, Gy die mijn ziel behaegt, En doetmy stadigh treuren, Die de aerde draegt. Verlaet nu al uw cortiseeren, Segh ick mijn Heer; Want gy en soeckt my niet als te onteeren, Want 't is uw begeer, Daerom verlaet u vleyeryen, En gaet by 't Hof gezwier, Daer gy uw kunt verblyen, En neemt uw playsier.
Cookies on Poetry Cove