Stem: Hoe speeld de Min. LIeffelijke Herderin, Gy bent dien ik Min, Uw lieffelijk Wezen, Kan mijn Hart genezen, Want gy staat in mijn zin, Door uwe Minne-vonken, Word ik van liefde dronken Ach mijn Ziels-vriendin! Uw Schaapjes in 't Woud, Zal ik helpen Weyden, En noyt van u scheyden, Ach mijn Engelin!
Ik zal over-al, Door Bergen en Dal, Tot die klaaren Beeken, Uw van liefde spreeken, Doet my dat geval, Helpt mijn smart dragen, Daar ik met behagen, U voor danken zal.
Gy bent een Prins van 't Land, En hoog van verstand, En ik een Harderinne, Waar zijn uw' Zinne? 't Is maar Geyle brand Om my te verleyden, Van Schaapjes en Weyde, En mijn Eer van kant; Dan ging gy in 't Hof, En liet my in schanden, Waar zou ik belanden? Verexcuzeer my dog. Ik blijf in het Woud, By mijn Harders stout; Daar ik vreugd kan rapen, Met veel Hardersknapen, In het Gras bedouwt; En gy in Calessen, Met veele Princessen Daarge uw Staat mee hout.
Lieffelijke Harderin, Staak u stuurze zin Om my te verstooten, Ik hou van geen Grooten Maar van een Boerin; Met lieffelijk kweelen, Komt gy mijn Hart steelen, Ach mijn Ziels-vrindin! Met 't spelen van een lied: En 't vlegten van een Kransse, Doet gy mijn Hart dansse, Op een Harders-riet. Ik haat 't vuyl gejagt Van de Hoofsche-pragt, In 't Wout is mijn leven Daarom 'k my begeven, Onder u zoet gezag, Met uw' Harders knapen Daar ik vreugd zal rapen, Zo lang 'k leven mag.
Prins hoe kan 't geschien, Wild dog van my vlien, En vrijd na een Rijke, Die u beter gelijke Met veel fijn Gestien; Gekleed in Zijde Kleeren, Dat is beter u begeeren, Als met een Boerien;
Die plomp van verstand Wat vreugd kan dit geven? Alteyd in 't Wild te leven, Daar uw de Zon verbrand. Door Regen of Wind U dog wel verzind, En veel Donder-slagen Moet gy al verdragen, Hoe bent gy zo blind? Dat gy uw g'dagte, En uw Minne klagte Doet aan een Harders-kind.
Princesse van 't Woud, Een Penning van Goud Neemt die uyt mijn Handen, Tot Trouws-onderpanden, In dit Groene-wout, 't is mijn Vaders Wapen, Tot vreugd van uw' Knapen, In het Groen bedouwt: 'k Zweer by God Iupijn, U noyt te verlaten, Maar uw te bepraten, Tot wy zijn Getrouwt. 'k Zal in plaats van 't Groen, Uw meer eer aan doen, Met Paerels, Iuweelen, Zal men u mee streelen, Daartoe stijf van Goud: Een Fontansie schoone, Zal ik u mee beloone In plaats van 't Groene Woud.
Prins ik ben te vreen, Ik zal met u treen, Mijn Schaapjes verlaten, En mijn Hardersknapen Staakt dog u geween: Gy hebt u verlangen, Wild mijn Trouw ontfangen Dien ik u vereer, Een Kroontje zeer net, Van Harders gevlogten, Cierlijk van bogten Van Roos en Fiolet. En veel Bloemen schoon Daar 'k u mede kroon, Hier onder den Hemel In het zoet gewemel, Van veel Vogels schoon Die u verblijden, Onder het zoet stryden, Met een Lauwer-kroon.
Cookies on Poetry Cove