Stem: Van de Papepay. WEl wat vreemde Dragt, Ziet men nu alle Dagen Om Ionkmans te behagen, Van menig kaal Iuffrouw, Om alzo uyt de kouw Eenen Ionkman t'Krygen in hun Netten, Weeten z'hun op te zetten, Met een Ferdegadijn, Want die is nu gemijn.
Scheele en Scheeve, Mank, Kreupel ende Doven En moogt mijn wel geloven, Die volgen al den trijn, Met de Ferdegadijn, En om van Daag De Kaal Iuffrouw te maken Tragten zy te geraken, Aan eenig Nieuw fatzoen Om dat zo aan te doen.
Als men hun ziet gaan, Het scheyne al Mevrouwen, Om Knegt en Meysjes t'houwen Coffuren op den Kop, Meesterlijk boven op: Zy dragen ook Iuweele En mooye ringen Het scheynen wonder dingen, Een Kruysjen aan den Hals Maar 't meestendeel is vals.
Den Hoepel-rok heeft Reden om te klagen, Dat hy hier word gedragen Van al dat slegt Gespuus, Die kwalijk Munt of Kruys Hebben om een Hemdeken te koopen, Maar moeten zomteyds loopen Met haar naakte Martijn Onder de Reepe fijn.
'k Zag 'er lest een, De Hoepel-rokke dragen Het welk my dede vragen, Wat is dat voor een Daam? Het geen ik haast vernaam: Haar Vader moest Met Weven de kost winnen, En de
Dogter met Spinnen, Ziet wat een Daam dat was Zy hekelde Vlas.
'k Zag 'er nog een, Ik moest laghen om te scheuren, Zy moest met Vis uyt leuren Maar Zondaags zy trad, Met een Reep aan 't Gat: Ferdegadijn Kost gy spreeken of zingen Wat zoud gy niet uyt bringen, Van 't geen der om gaat, Daar zy gespannen staat.
't Draagt hem nu al, Zelfs tot de Appelteven Hun tot den Reep begeven Schoon het hun niet betaamt, Zy en zijn niet beschaamt, Maartje, Cathrijn, Luytje, en Susanne Geertruy, Marie, en Anne Hebben de Reep aan 't Gat, Trots ymand van d'Stad.
Men ziet 'er veel, Die werken met de Bouten, Dat zy hun ook verstouten, Met den Ferdegadijn Of het Madamen zijn, En konnen nauw Zo veel met Kussen halen Om 't Kostgeld te betalen, En leyden Honger groot Hebben t'Huys geen Brood.
Zy weeten hun, Nogtans zo op te pronken Om Ionkmans te ontvonken, Dat zy met dat opzet, Krijgen haar zo in 't net: Wel aan Ionkmans, Wild 'er maar op letten, En wagt u voor 't besmetten, Want zo een naar figeur Brengt menig in getreur.
Oorlof Ionkmans, Schoud deze ligte Danten Met hun schoon trepanten Met den Ferdegadijn, Die is niet voor 't gemeyn, En laat u dog Niet zo ligtelijk bedriegen, Van die valsche Vliegen, Of gy brengt u in pijn Met den Ferdegadijn.
Cookies on Poetry Cove