Op een bekende Voys. WAt doet my ontstellen, Staag in mijn gedagt; Dat my zo komt kwellen, Waar door ik versmagt; By Dag als ik waake, By
Nagt als ik rust, Dan schijn ik te blaken, Vol van Minne-lust: Waar vind ik nog [gratie], Voor mijn grillig Hert, De zoete tentatie, Die baard my groot smert. Laast sprak ik een Susje, Doe ben ik doorwond; Die schonk my een kusje, Van haar Roder-mond, Ik wil haar gaan vryen, En bieden mijn Trouw, Dan raak ik uyt lyen, Uyt druk en uyt rouw: Mijn lieve Annaatje, Mijn liefde vergaat; Laast had ik een praatje Met u op de Straat. Wel Floris uw klagen, D[at] staat my niet an; Ik heb geen behagen, In eenen Ionkman: Ik ben jong van Iaaren, En daar toe niet gezind, Te spreeken van paaren, Ik ben nog een Kind; Van ruym Zestien Iaaren, Daar toe Ouderloos: Wild de moeyte maar spaaren, Dan wordt gy niet boos. Uw tintelende oogen, Die vonken van Min: Uw twee bruyne oogen, Die staan in mijn zin: Uw blozende kaken, En uw Rooder-mond, Mogt ik die genaken, Dan wierd ik gezond; Met uw Corale lippen, Mijn liefste Anna, En wild daar eens glippen Op, 't Woordje van Ia. Uw Haring wel Floris, Die braad der niet gaar; Uw Pap hier al goor is, Gaat vry op een aar: Ziet spaard vry u Beenen, Dan hebt gy geen nood, Op dat gy uw' Scheenen, Hier niet blauw en stoot: Zo verslijt gy geen Schoenen, Alhier op mijn Trap: Wantge hebt 'er van doenen, Uw Geld tot gelap. Al uw spijtig spreeken, Dat doet my de dood; Mijn Hart scheynd te breeken, Van liefde zo groot: Vergund my te rekken, Mijn leden zegt uyt, Op dat wy ons dekken, Als Bruy
gom en Bruyd; Want gy hebt geen Vader, Nog Moeder op aard, Komt laat ons te gader, Nu worden gepaard. Weg weg, met uw razen, Koopt Koek voor u geld; Het zijn vize vazen, Die gy my verteld: Ik lag met u klagen Ik spot met u pijn, Gy kund niet behagen, De zinnen van mijn. Ik stop 'er mijn ooren, Voor al u geween; Ik wil u niet hooren, Vertrek en gaat heen. Kom kleyn Venus-Wigtje, Weest nu de Piloot; En schiet met een Schigtje In haare teere schoot: Vergund my genaden, Kleyn Cupido zoet, Of ik zal my baden, In mijn eygen bloed; Adieu dan Leeuwinne, Gy zijt al te straf: Ik schey uyt met Minne; De liefd' sney ik af.
Cookies on Poetry Cove