Stem: Schaamt u gy Brabants Heere. WAnneer men heeft geschreven, Duyzend Zes-honderd even, En agt-en-zegtig Iaar; In December tien Dagen, Kwam ons de Wind behagen Liepen in Zee voorwaar. Wy Zeylden zeer blijhartig, Uyt Holland 't is Waaragtig, Tot in de Spaanze-zee: Den Turk ons aan randen, Met zijn bebloede Handen, Maar Godt ons bystand dee. Hy lokte ons zeer schoone, Liet Prinsse-Vlagge toone, Regt of het was ons Vriend; Maar men zag haast zijn Vaane, Met Turkze Halve-maane, Het welk ons niet en diend. Hy liet de Bloed-vlag wayen, Zijn Zabel liet hy zwayen, En schoot vast Schoot op Schoot: Wy mee als kloeke Bazen, Sloegen wel twaalf Glazen In 't lest het Godt verdroot. Ons Schipper hoog en waardig, Die bleef [d]aar dood zeer vaardig, En ook ons Camman[d]eur; Maar evenwel als helden, Wy ons daar [t]egen stelden, Zonder druk of getreur. d' Admiraal van Algiere, Riep wild gy goed Quartiere, Strijkt Vlagge na mijn zin; Doen [r]iep ons Opper-stuurman; Daar heb ik geen [b]anier van, Liever den Brand daar in. Eer wy ons Christen-ziele, Zoude laten ver[n]ielen, Van uw Turkze-gebroet, Liever daar [v]oor te vegten, Voor 't Vaderland als Knegten, [D]e leste droppel Bloed.
Zes Stukken wy maar konden, Gebruyken doen terstonden, Dog kreeg den Turk zijn deel; Want wy ook allegaare, Speelden met onze Snare, Zeer lustig op zijn Veel. d'Adelboom van Turkyen, Die ons zo kwam bestryen, Ruym dertig Stukken groot: Omtrent veertig Minnaren, Schoot hy tot ons bezwaren Zeer gekwest ofte dood. Onzen Bootsman kloekmoedig, Die liet zijn leven bloedig Mee voor den Turkzen Hond; En nog Negen Persoonen, Ging de Dood niet verschoonen Storven aldaar terstond. Och Menschen allegader! Komt nu tot Godt al nader, Wy hebben werk na loon; Verlaat u Nevels duyster, Komt zet u Hert vol luyster, Na 's Hemels hoogen Throon. Prinsse wild het verligten, Doen ik dit lied ging Digten, 'k Lag zwaar gekwest te Kooy; Op de Fluyt Delfshave, Zing het met stemme brave, Al gaat het niet zeer mooy.
Cookies on Poetry Cove