Stem: Luysterd toe gy Venus-dieren. KOmt luysterd Vrienden met malkander: Hoe dat ik lest ging om een wandel Buyten de Rotterdammer-poort, Al naar Hans-jol was mijn begeeren, Om mijn Gezelschap te vermeeren: En my wat te vermaken voort. Ik ben pas half Weeg gekomen, Een Orenbay heb ik vernomen Pagayde mijn van agteren in: Een mooy Mostiesje boven maten, Die haar ligtelijk liet bepraten Al van een Ionkman na haar zin. Zo dra zy mijn voorby passeerde Ik haar straks reverentie dede, En rookte juyst een Pijp Tabak
Zy zey Sinjoor zeyde my Bonkes, Daar op zo schoot zy Minne-lonkes Haar Bonkes aan mijne Pijp ontstak. En zey fris Ionger held waar heene, Gaat gy dog Wandelen dus alleene? 'k Antwoorde Nonje naar Hans-jol, Daar mijn Gezelschap mijn verwagten, Nonje ik zou mijn gelukkig agten, Als mijn Gezelschap u dienen sol. Ionkman gy doet mijn prezentatie, U fier gelaat staat in mijn gratie, Kom treed wat in mijn Orenbay; Zy reykte haar Sneeu witte Handen: Die ik doe met een Kus ontfangden En plaatste my by haar zeyd' fray. Schoof haar Gordijnen toe ter degen, En toe de Pont Hans-jol passeerden, Pagayde zy na Slinger-land: Maar onderwijl vol Minne-dronke: Gaven malkandere Minne-vonke Tot dat wy kwamen aldaar aan land. Een keldertje met Persiaanze Wijnen Daar toe wat Mangelen en Razijnen, Die liet zy komen aldaar toen an, Wat Oestertjes zy commandeerden, Een Glaasje Wijn zy prezenteerden 't Was op de gezondheyd van haar Man. Ik zey Schoon-king iz zal 't verwagten Maar hier schiet iets in mijn gedagten, Is uwe Man nog ver hier van? Zey hy is na persie gaan varen, Voor Opper-stuurman door de Baren En schromen niet die nobele kwant. Zy brogt my daar in haar Zalette, Daar ging zy mijn een Stoeltje zette, [Sy deed] ontkleden haar Cabay,
Haar Baytjes fijne, zag men daar schijne Twee Tepeltjes rood' als Robijne 't Scheen of het zelfs Diana waar. Twee volle Borsjes appel ronder Zag ik Vermarmelt met verwonder, Met Adertjes als Hemels-blauw; Dus zag ik voor mijn heenen zwieren Haar Oogjes branden vol Minne-vieren Zy vielen op mijn als Hemels-dauw. Zy deed haar Slaven gaan na buyten En haar Vertrek wel vast toe sluyten, Ze omhelsden mijn, met een' Zoen; Haar Beentjes om de mijn gestrengel Zo vogt ik met die zoeten Engel Mijn Broek-pistooltje dat brande toen. Ik schoot op haar zo menigmalen Maar zy my rykelijk betaalden, Ik had volbragt dees Vrouwtjes wil; Den Dag kwam aan, en wy moesten scheyden Op Roemerlake zy my geleyden, Ik nam mijn afscheyd, en gong op de tril, Oorlof Cassaters die zy Trouwen, En t'huus laten een Ionge Vrouwen, Al op het schoon Batavia: Een ander bluster zijn Minne-lusjes Want het zijn zulke warme Susjes, Vergulde Hoorens moetje dragen na.
Cookies on Poetry Cove