Skip to content
1767

De Oostindische thee-boom

Anoniem

Stem: Van de Engelsche Nagtegaal. HEt begon uyt den Oosten te dagen, Een Vergulde morgen-stond, Ik zag Aurora met haar Wagen, Openen haar Rosemond; Phebus stak zijn Wieken aan, By die Zwarten Indiaan; Heel des Waerelds puyk en vrugtbaar Land, Daar alle Kostelijkheyd; Door Phebus klaarigheyd, De Natuur zelfs heeft geplant; Dies mijn Hert wierd verligt, Door dat heldere gezigt, Om te uyten, uyten, uyten, het verhaal Waar toe menig stond, Mijn Hert genegen vond, Tot de Kust Orientaal, Nu wil ik loven // Haar Palen en Hoven, Daar Phebus Stralen // Gestadig op dalen Want India gaat alle Landen te boven.

Edel India Rijk Bepaereld, Gy zijt der een schoon Iuweel, Ende Azia, de Waereld Overtreft, in het geheel,

Uyt wiens schoot de Zonne rijst, Die de gantsche Waereld spijst, Door cieraad en kostelijkheyd; Van Vrugten veelderley, En dierbaare Specery: Tot haar lust en groot profijt, Alle Volkere en geslagt, Hebt gy tot u Oog gebragt, Door u Wonder, Wonder, Wonder, zeer vermaard, Zo dat uw groote Faam, Gebragt heeft eenen Naam; Aan alle Natien op der Aard, Dus wy Bezeylen // Veel Duyzende Meylen, En felle Baaren // Ons Scheepen doorvaaren, Om te genieten u kostelijke Waaren.

Rijk, Schatten en dierbaar Trezooren, Steld gy hier op u Toneel, Amatisten, Smaragden, Yvooren, Hyachim een schoon Iuweel: Gy geeft kostelijk Gewaad, En veel loffelijk Cieraad, Diamanten en Paerlen schoon; Agaat-steenen, Coral, Robijnen en Christal Daar de Zeyl-steen van spand de kroon, In u zuyvere Rivier, Zwemt den Edelen, Saphier, En den Iaspis, Iaspis, Iaspis, groot van kragt; Zo dat gy dus verrijkt, 't Beloofd' Land gelijkt, Daar d'Gulde Eeuw is voort gebragt Dierbaare Steenen // En Paerels met eenen, Veel Goude Meynen // En Zilvere Perseynen; Der Zonne-straalen hier stadig bescheynen.

Kostelijk zijn uwe Speceryen,

Ende rijkelijk beplant, Drie-maals Iaars op diverze Tyen Draagt gy Vrugten abondant, De Nederlandze Apothekery, Krijgt door u haar heerschappy Der Genees-konst, want de Medicijn, Die word van alle kant, Gevoerd na 't Vaderland, Met veel Schepen groot en kleyn, Daar de Roode-barber groeyd, En veel schoone Balzem vloeyd, Die de Ziekte, Ziekte, Ziekte van den Mensch Ook als hy is gewond, Maakt wederom gezond, Tot zijn volle wensch, Al uw's Lands-douwen // Zijn waardig t'aanschouwen, Noyt uws gelijken // Zo kostelijken In al des Waerelds Koninkrijken.

Veel Lusthoven en schoone Waranden, Die besluyt gy in 't geheel, Wel voorzien met dierbaare panden, Als een Vorstelijk Toneel, Een wellustig Paradijs, Daar vloeyd Honing Melk en Rijs, Zoete Nectar en goede Drank, Die vloeyd daar mee ras, Uyt 'r jeugdig Boom-gewas, Dag en Nagt en Iaaren lang, Daar den Douw 't Riet verguld Dat met Zuyker is vervuld, Daar de Peper, Peper, Peper en Muscaat, Kruydnagels zeer bekwaam, De Foely aangenaam, In haar volle Bloeyzel staat, En veel Caneelen // De Boomen voort-teelen

Noten-muscaten // En Honingraten, Al zoetigheyd te onzer baten.

Lust u voorts het Hert te vermaken, En t'verheygen uwen Geest, In Godts Schepzelen en wonderzaken, Hier is menig zeldzaam Beest, Onder 't Pluym-gediert heeft prijs, Den Vogel Paradijs; Die den Vogel-struys zijn Nesten bouwt, Den Griffioen, Den Draak Veel Apen tot vermaak; Leeuwen, Tijgers, menig-fout, Daar den Vogel Lorry fray, Caketouw en Papegay, En meer Monsters, Monsters, Monsters abondant, t'Zaam komen op de tril // De looze Crokedil, Met den schromelijken Olyphant, Land en Riviere // Vol Vissen en Dieren, Hier zijn te merken // Godts Wonderwerken, Waardig t'zien voor Leken en Klerken.

En de Inwoonders van desgelijken, Eerteyds kloek en zeer vermaard, Die trots ander Koninkrijken, Leefden heerlik op der Aard, En dat door haar Koopmanschap, Hadden doe de hoogsten trap, Dog de Neerlanders door hun moed, Die hebben met geweld, Zig aldaar ter neer g'steld, Zo dat men haald in overvloed, Veel kostelijk Goed van India, En de Stad Batavia, Men ziet Bloeyen, Bloeyen, Bloeyen al gelijk, Alzo zeer triumphant, Den stapel is geplant, [Van haren staet en Republijck]

Meest de Indianen // Zijn Onderdanen, Veel van haar Staten // En Potentaten, En ook van Neerlanders regeeren laten.

Slooten, Havens, Kusten en Steden, Staan meest onder ons gebied, Zo met Oorlog als door Vreden, Als men dagelijk hoord en ziet, Mits den Nederlandschen Raad, Door het Opperhoofd bestaat, Den Gouverneur principaal Die door zijn Maatschappy, De Roomsche Monarchy, En Grieken treft altemaal; Dat d'Batavieren nu verrijkt, En voor Persien niet en wijkt, Ia zelfs China, China, China staat en raast, Wiens staat en groote Pragt, Heeft dikmaals haar gebragt, In verwondering zeer verbaast, Al de Chinezen // En Portugezen, D'Indische Steden // Die komen heden T'Zaam demoedig bidden om vreeden

't Aardsche Paradijs vol vreeden Was alhier door Godes hand, 't Lust-Prieel en den Hof Eeden, Binnen India geplant, Daar den Boom des Levens groeyd, Met Rivieren klaar besproeyd, Van Adam en Eva wel eer bewoond, Daar 't Goud zeer kostelijk drijft, Gelijk ons Moses schrijft, 't Welk de Ganges, Euphrat betoond, Zonder dat ik vertel, Van de Kust Cormandel, Peru, Banda, Banda, Banda en Touwan, Malakken schoon en Rijk, Bengalen desgelijk

Met nog Persien en Iapan, Voorts met schoone Kusten // Vol vreugd en lusten, Met veel Speelhoven // Zeer weerdig te loven, Dus prijst Neerlanders Godt van hier boven.

Indianan vernedere Slaven, Die nu tans zijn overmand; Eerd haar die hem eerst in de Haven Hebben, van 't Oosten geplant, Nederlanders nieuwsgierig Bloed, Steld u dapper op de voet, Die den Aardkloot met lusten doorrijst; Doorsnuffelt wel getroost, De Wonderen van het Oost, Daar de Zon u met haar Stralen wijst, Dus dan Nederlandsche Ieugd, Vaard naar India met vreugd, Wild niet schroomen, schroomen, schroomen voor de Dood, Weest nimmermeer vervaard, Zo Godt uw bewaard, Zo heb gy geen gebrek nog nood, Die zeven Iaaren // Wil Godt u bewaaren Laat uw Beminden // Met alle u Vrinden Hoopt dat gyze t'zamen in vreede mag vinden.

't Zy perykels van Klippen of Baaren Van Zee-rovers Moord of Brand, Daar u Godt voor wil bewaaren, Door zijn Goedertieren-hand Den Hollander, Zeeuw en Vries, Vreezen Turk nog Portugies. Mits door practijk en kloek beleyd, Elk zijn Zeylen maket klaar En neemt zijn Streeken waar, Daar 't Compas hem heenen leyd; Dus Mattroozen wel gezind, Zeylet met allerley Wind,

Die zijn Schepen, Schepen, Schepen wel bestierd Die waakt en gestadig let, Waar hy zijn Coers op zet, Op de Haven daar zijn Baken vierd, Dus om te Zeylen // Veel duyzende Mijlen Vat hy de Winden // In Fokke en Blinden, Tot hy de Indische Haven kan vinden.

't Za dan Nobele Batavieren Van 't Iagt Hercules vermaard Lustig te zamen Scheeps-Officieren Vaard met vreugden onbezwaard, Schipper, Stuurman, Chirurgijn, Assistenten groot en kleyn, Bootsman, Schieman, Opper-timmerman Constapel, Corporaal, Bosschieters altemaal Quartier-meester voegt u aan den dans, Kuyper, Kok en Bottelier Den Zeylmaker en Barbier, Voorts de Soljers, Soljers, Soljers al te gaar; De Commandeurs van staat, Met yders Land-passaat, Vaard naar Indien met vreugd' eenpaar, t'Zamen Soldaten // Matroozen en Maten, Wild vreugd vermeeren // Tot Godts lof en eeren Tot wy uyt India wederom keeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De Oostindische thee-boom · Anoniem · Poetry Cove