Skip to content
1746

De nieuwe vermaakelyke gaare-keuken

Anoniem

Voys: Keyzers Minne-wet. AVoes gy Debosanten, Gy plagt wel goede Klanten Te wezen van de Weerd; Maar uw Geld is nu al verteerd, Wilt uw daarom niet stooren, Men zal 't uw laaten hooren, Hoe dat de Waardinne groot, Uw brengen dan in de nood. Als gy daar komt om drinken, En uw Schijve dapper klinken, 't Is dan al mijn Kameraad; En zy houden uw aan de praat, Als wy dan praten van 't Tappen, Begind de Waardin te klappen, En als de Kan komt van 't Vat, 't Eerst lapt zy dan in haar gat.

De Meysjens spelen Mijn Heer, En neygen tot 'er Aarden neer, En zo likkenz' onze Drank, En weeten het ons geen dank; Zo doenen deze loze vinken, En helpen ons d' Drank uyt drinken, Klappen als een Papegay, En zy helpe ons aan d' dray. Zy weeten zo veel zaaken, Om een vette Pot te maaken, Want ze zijn zo hups en klaar, Als de Vriesse Osse voorwaar, d' Waardinne ziet men dragen, Goude Ketens met behagen, Zeyde Kleeden ook daarom, Trots de beste Adeldom. Geen Visch is haar te diere, Al dogtenz' niet en ziere, Maar de geen die 'er leven doet, Zomtijds Boter derven moet: En alsw' dan zijn beschonken, En de Kan half leeg gedronken, Loopen zy na 't Vat met een, En schrijven Twee voor Een. Men zal het wel uyt vryve, Want met gekloofd Kreyt ze Schryve, En dan nog gemengeld Bier, Dat niet en deugd eenen zier, Als wy dan niet meer drinke En ons Schyven niet meer klinke, Zeggen zy tot uw verdriet, Dat gy zijt een Deugeniet. De Waard zal uw niet borgen, Een Pint Wijn tot Morgen,

Of gy moet daar laaten Pand, En trekken uyt d'Rok met schand, Voor 't laast gy Debosanten, Wagt uw dan voor zulke Kwanten, Want zy zoeken met gemak, 't Geld te lokken uyt uw Sak. Zy weeten door dat smullen, Haar lege Pens te vullen, En ligten zo onze Pot, En houwen ons voor de Sot.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.