Stem: Eenzaam Bosje aanhoort myn klagten. 1. WYt beroemde Amstelaren, Suile van de vrije staat: Juigt nu op uw Silv’re baren, Gysbrechts vesten tot Cieraet, Syt blymoedig, uitgelaten; Pronk-Juweel der zeeven Staaten, Die de uitheemsche komt te baet. 2. Verlaet Pantagie groene Linden, Na uw haven bly te moe, Het puik van Amstels Prins gesinden: Sakt na ’t Admiraelschap toe, Jonge maetjes neemt uw Meisje, Gy hebt waerlyk nog een reysje: Van u soete lief te goe.
3. Heeft de Krygs-God al de kusten, Van het schoon Europa in, Bellona stookster der onlusten, Weg onrustige Godin, Laet God-Mars syn wrange Druiven: Deelen diese lust te kluiven, ’k Hou ’t met de Leeuw dat is me sin. 4. Juigt gy Prius-Gesinde Byltjes: Beminnaars der Oranje Stam, Viert op d’ Y Godin uw Zyltjes Luister van ons Amsteldam, Vry van Oorlog dwang en kluister, Siet uw Syl-vloot die vol luister, In eer van jaer tot jaer toe nam. 5. Die y Godin, door al ’t geschater Kaest haer Golven als een zee? Door de vrugt die sy op ’t water; Hoort van ’t roepen van Hoesee, Door de zang en vreugt bedryven, Lang moet deese Haven blyven, En ons strekke tot een Ree. 6. Alle die de Ystroom minne, Syt blymoedig altemael, Siet daer komt uw vloot-voogt binne, En de Vice Admirael: Schout by Nagt : daer komt hy nadere Wind en Stroom strekt hem tot radere; Tot vreugt van Amstels Leeuwendael. 7. Bloey nog lang, ô Hooft der steede Cier der Kroon van ons Staets Gebouw,
Bloei nog door gunst van vreeden Selden deert u leet of rouw, Lang leeft Amstel-Burgervaderen, Ciert haar hooft met Mirtebladeren, Lang leeft ’t dierbaar huis Nassouw.
Cookies on Poetry Cove