Op een aengenaeme Wys.
1.
’t IS om u soete min,
Dat ik schoon Herderin,
Hier heb soo lang staen wagten,
En geen troost en win;
Wat mag de oorsaek syn,
Dat gy myn laet in pyn,
By daegen en by nagten,
Sonder Wederminne:
Syt gy dan van een Leeuw
Of Tyger voort gebragt?
Die door u stuurse reden
Myn min veragt.
2.
Vreest gy de Goden niet?
Die sien al myn verdriet,
’k Vrees die u sullen plagen,
Als gy van myn vlied;
Ach Vrouws persoon u komst,
Had gy het niet begost:
Gy had geen reen van klagen;
Door uw stuurse reeden,
Maer ’t is om uw schoonheid al,
Myn alderliefste Beeld,
Die dagen en nagten,
In myn sinnen speeld.
3.
Klein Cupido venus wigt,
Waar blyft gy met u schigt,
Zoekt gy het hert te raaken
Van het zoet gezigt?
Al is u borst van staal,
Ik heb zo menigmaal
Een Riddershert doorstooken,
Dat op het harnes blooten:
Za toond dan maar u kragt,
’k Bid u ’t is meer dan tyd;
Eer dat de bleeke dood
Ons van het leeven scheid.
4.
Zoet Herder, staakt u klagt,
’t Is van myn nooit gedagt;
Dat ik u zou verlaaten,
Naar wien myn zieltje tragt;
Ontvangt dan wedermin,
Van u schoon Herderin,
Die u maar kwam beproeven:
Wilt u niet meer bedroeven,
Ontvangt dees Roosenkrans,
’k Zweer u getrouwigheid,
Dus weest dan zoetste Herder
Met u lief verblyd.