Aan de Genooden.
STEMME: Courante Monsieur, &c.
HOe vaarje Bruilofts-Gasjes, zeg, al vrolik?
Wat zoo ziet, ay wijkt niet, van die trant:
Foei 't is te olik, By me keel 't is schant,
Dat men hier naar moet zeggen gaan,
Wat struif, die Bruiloft, gink niet eens recht aan,
Yder zat trist, niemandt begon,
't Was of men geen vijf tellen kon.
Toon: Tweede Carileen.
LAat ons vrolik wezen nou,
Elk schud den aap eens uit den mou,
Wakker drinkt, luftig zingt, dat het klinkt,
Wat zo ziet, nou Speelmeisjes, tza men hoort jou niet.
Kom, zing me deur, of zing veur, ghy hebt keur,
Wel je prijkt, dat het niet met al en lijkt;
Doch men ziet ‘en bespiet’ schoonje niet
Een woort uit’ dat je me graag waart de Bruidt.
STEMME: Ben ik krom, &c.
IOngmans tza,
Toont eens dra,
Alle jou kunsjes,
Maak ruimbaan,
Vangt dan aan,
't Was anders vunsjus,
Datmen u, nu zou zien, dutten, en druilen,
Als een deel lompige weet-niets, guilen.
TOON: Hey waar benje Koker Iansz, &c.
Jongens, zoo ik u kom steuren,
Nou je juist zijt in jou kracht,
Wilt dit Dicht aan stukjes scheuren,
Zeper, 'k geef jou volle macht,
Benje quaadt?
Ik weet raadt,
Hoor, voor 't lest, maar noch een woort,
Knorrepotten,
Kan 't niet hotten?
Veegt, aan elk een stuk, jou poort.
W. Schellinks.