Toon: Engelsche Klokke-dans.
WAarde Godinne,
Volmaakte beeldt
Daar Gijsbrechts Stad op boogt;
Ik moet beminnen
De zoete weeld,
Die gy in my vermoogt:
Ik voel
't Gewoel
Der minne, door en door,
Als ik, ô Leonoor,
U zie of spreeken hoor;
Ia, wanneer in my 't gedacht
Maar alleenig op u acht,
Zo gevoel ik mijn hart vol gloor.
2. Mijn 's harten hemel
Is d' hoogste troon
Uws voorhoofds, die vol glans
En klaar gewemel
Van uw zeer schoon
Gezichje blinkt althans.
En op
Dien top
Een goud-geel kroontje praalt,
Dat duyzend straaltjes straalt,
Door haartjes afgemaalt;
Daar de Minne-god mijn hart
En mijn zinnen in verwart,
Als mijn oog daar zijn licht uyt haalt.
3. Uw roode kaaken
En 't vleezig kraal
Van uwe lipjes, ach!
My meer vermaaken,
Dan alle praal,
Hoe schoonze weezen mach.
Ik speur
Geen kleur
Geen lidt, noch niets aan dy,
(O pronkbeeld van het Y!)
Dat niet de heerschappy
Heeft genomen van mijn zin,
En een vuur ontsteekt van min
In een yeder lidt van my.
4. Groote Godinne,
Dus aartig, schoon,
Vol alderhande kunst;
Ach! mocht mijn minne,
Tot haaren loon,
Genieten uwe gunst;
Voorwaar
Geen paar,
Hoe gunstig en getrouw,
Zo hemelsch leeven zouw,
Als ik met u Me-vrouw;
Neem dan uwen Dienaar aan,
Dat hy u ten dienst mach staan
In het heylig Echt-gebouw.
J.v.Duisberg