Toon: O Wijn, du bist soo hups en fijn.
1. WEl Ioosje, ben jy de weelde moe? Ik hoor gy zult gaan trouwen; wel mijn lieve maat siet toe, Het hijliken heeft wat in,
Daer is zo veel aan vast; Doe wel en laet u raden, En houdt u uyt den last, De vryheyt kan niet schaden, Wantse by de jonckheyt past. 2. Ten eersten komt daar een kint of twee, Van alles moet daar wezen, of daar is in huys geen vree, Daar is zo veel van doen, Stoel, Wiegh en Baker-mat, Luyer-mant en ook Luyren, Ia wel ik weet niet wat, Is 't niet om te betreuren, Altijdt schorter dit of dat. 3. In 't baren roept men Man en Maagh, Ey, Buurwijf komt doch haestigh, want mijn Wijf krijght vlaegh op vlaegh:
Dan gaat het stormen aan, de Man moet uyt te post, Den Docter moet hy halen, Al eer het Wijf verlost, Sint felten mach het halen Wat het kinder-maken kost. 4. De Wijven, vlammen op 't Kinder-maal, Haar brassen en haar smeeren, hout vast menig kales kaal; De Kraambewaarster spreekt, om Gelt, om Sout om Seep: De Sooghster moetmen loonen, Vroedvrou en al 't gesleep; 'k Had liever duysent kroonen Dan te krijgen sulken neep. 5. Ten besten als 't Kint te sterven raeckt,
Zo moetmen weer aan 't lopen datter wort een graf gemaakt. De Brouwer en Accijs, Doodt-graver in den noot, Kannen en Glas verhuerder Maken den Buydel bloot, Dan valt het noch veel suurder, 't Kints begraffenis ter doodt. 6. Nu Ioosje doet evenwel jou sin, Ik raedje maar ten besten om dat ik jou seer bemin: Want als je bent getrout, u vryheyt is gedaan, Ie moet jou wijf eerst vragen, Als jy eens uyt wilt gaan, Haar stuurs gekijf verdragen; Ia te vuur te swaarde staen.
Cookies on Poetry Cove