Skip to content
1659

De Nieuwe Haagsche Nachtegaal

Anoniem

Stemme: l'Orange.

WAar toe of ik mijn zin, In lusten van de min, Zo licht en los vervallen laat, Op een Iufvrou te hoog van staat? Wiens reden, en zeden, doen vaste blijk, Dan men nau haars gelijk, In waarden, op aarden Zo schoon zou vinden, en daar by zo rijk. II. Was ik van meerder goed, Als wel mijn Iufvrou doet, Zo had ik hoop dat ik haar zou, Verkrijgen tot mijn eygen Vrou; Op heden, sijn reden, noch trouheyts kracht,

By rijkdom niet geacht; Haar gaven, die draven, Na geld, na goed, na staat en hoog geslacht. III. Al hoe wel dat ik mijn, Hou van geslacht te zijn, Zo hoog en eel gelijk als zy, Maar 't komt in rijkdom gantsch niet by; Mijn zinnen, die minnen haar niet om 't goed, Maaar uyt een trou gemoed; Door reden, in zeden, Haar schoone jeugt van jongs is opgevoed. IV. Dewijl mijn Iufvrou heeft, Al wat de wereldt geeft, Dat 's rijkdom, wellust, staat en eer,

Na wil, na wensch en na begeer; Al heeftze, en leeftze na lust daar van, Noch schort 'er yets wat an, Me-vrouwe // dat 's trouwe, Waar in men mijns gelijk niet vinden kan.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De Nieuwe Haagsche Nachtegaal · Anoniem · Poetry Cove