Toon: Je voy toutes les Nuicts.
DAt Iupiter zijn Throon, Zijn Scepter, en zijn Kroon, Voor u my bood, En my den Hemel
schonk, Die rijk van Goudt en Diamanten blonk, En zeid': Zie daar, ik scheid' Van al mijn praalen; En mijn lekkerny, En ik zal voort op d' aard' gaan dalen; Ia gy zult, naar mijn, Godt in den Hemel zijn. 2. Ik zou, zonder beraan, Hem danken, en afslaan
Zijn stout verzoek, en zeggen; hoor, Iupijn, U Scepter, Kroon, en Troon, en Ambrozijn, Ia zelfs u Hemel schoon, En groote Godheit, Die gy hebt geboon Voor mijn Goddin, die Venus schoonheit, Pallas wijs vernuft, En Iunos praal verbluft; 3. En acht ik al als niet; Want die mijn ziel gebied, Mijn Amaril, heeft veel meer gaven schoon; Haar voorhooft is een wit-albaste troon; Haar kroon is 't gulde hair; Haar schoone oogjes Trotzen Starren klaar; Haar winkbrauwns zijn twee minne-boogjes;
Kaakjes Roosjes zijn; De lipjes koralijn. 4. Langs tandjes, trots yvoor, Vloeit nectar, en ik hoor Een Hemel-vois, als mijn Nimf speelt of zingt; Nevens haar stem uit 't lieve mondje dringt Adems-viole-geur; Zwierende speelen Blauwe aders, deur Haar sneeu-wit vel, van 't wonder eele Ronde halsje lank, En poez'le handjes rank. 5. Op Borsjes (Pafos troon) Staan twee Robijne schoon; Maar 't alderschoonst bedekt haar wit gewaadt, Dat ik (als gy Goddin u zomtijds baad')
Ter sluik wel heb aanschouwt; Daar ik gedooken Lag in 't Elzen woud: 't Was Acteon noit zo gewroken, Van de schoon Diaan, Had hy zo mee gedaan. 6. Beeld eens Pigmalions! Laet doch de glans uw's Sons Bestralen my met weer-mins glooren al; Ik sweer mijn Diamante liefde zal Weer flonkeren op uw', Mijn waarde tweede Ziel: vlucht niet zo schuw, Ai! Amaril, verhoor mijn bede, Neem my in genaa En zeg doch eensjes ja. W.6.st.
Cookies on Poetry Cove