Skip to content
1659

De Nieuwe Haagsche Nachtegaal

Anoniem

Toon: Het daget uyt den Oosten.

AAn een van Idaes beeken, Had zich Aeneas zoon Eens heymelijk versteeken; Als kleene Minnegoon Hem hadden doen vermoejen, Door haar spoejen. 2. Als Venus 't schoone knaapjen Ontstelt zach door 't gewoel, Bevangen met een slaapjen In lommers dicht en koel, Leyze op Viooltjes teder Hem wat neder.

3. En om zijn zachte zijdtjes Een wolk zy heene schoot Van zo veel bloempjes blijdtjes, Van roosjes wit en roodt, En bleef aan 't lieflijk slaapen Zich vergaapen. 4. Terstondt quam ingekropen In haar vermand gemoed; En eer zy 't wist, gesloopen Adonis eerste gloet. Dies 't vuurig hart ontrusten d' Oude lusten. 5. Hoe dik woud zy omvangen Haar lieve Neefjen teer, En in haar armpjens prangen; Dus plach, zey zy, wel eer,

Adonis, uytgeleezen, Ook te weezen. 6. Doch schreumende te steuren Het zoete sluymerend wicht, En uyt zijn slaap te scheuren, Zo kusten zy wel dicht De naast gelegen roosjes, Al met poosjes. 7. De roosjes die ontstaken, Beginnende terstondt Rondtom haar blanke kaken, Tot aan haar roode mondt, Veel kusjens in de zamen Al te zaamen. 8. Vrouw Venus ging vergaaren Dees leevendige blaan,

Die niet dan kusjes waaren, Als zy ze raakten aan; En voer met dit geweemel Zo ten Heemel. 9. Dees schat had zy gekreegen, Maar dees Godin was mildt, En heeft ze als in een reegen, Weer mildelijk gespilt, En daar mee gaan bedouwen Schoone Vrouwen. 10. Dit is de zoete waassem, Op lipjens lief gesprengt, Met dauw van geurgen aassem, Int roode rood gemengt; Die Minnaars veel kan geeven, Ia doet leeven.

11. Wild dan zo schaars niet vreezen, Mijn waarde Rozemondt, Met die gift uytgeleezen, Waar mee uw lipjens rondt, Zo mildelijk van hier boven Zijn bedooven. L. Reaal.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De Nieuwe Haagsche Nachtegaal · Anoniem · Poetry Cove