Skip to content
1659

De Nieuwe Haagsche Nachtegaal

Anoniem

Toon: Mijn Angenietje.

1. WEl benje noch ziekjes? Gy ziet 'er zo bliekjes, Mijn trouhartige vriendt, Het blijkt wel dat je 't mient. Doe gy de min in 't harte liet gaan zo diep, Gy bleeft 'er wat staan, En waart 'er verraan, Geschooten, toen ik 'et ontliep. 2. Ik bender ontsprongen De dartele jongen, Ik spring en zing verblijt, Daar ghy de Suffert zijt.

Gy zucht, terwijl uw makker nu zit en zingt, Ik heb 'er de moet En 't is 'er mijn zoet, Daar gy der uw handen om wringt. 3. Ik oeffen de dansjes En andere kansjes, Ik zeyl, of rijd' er te paert, Als ghy suft by den haert. Men zey wel eer: wat aardiger quant is dit. Maar is 'et geen schand Waar is je verstandt Ie dut, daar je staat, daar je zit. 4. Ik ga der verkeeren, Met deugd en met eeren, Als ghy zit in een hoek, Of met de neus in 't boek;

Als gy dan 's nachts niet leggen en kunt noch rust, Van droevig ellendt, Dan ben ik gewendt Te slapen met grooter lust. 5. Gy pruylt 'er en preutelt, Gy mijmert en reutelt, En somtijds benje stom, Of 't antwoord is te dom. Gy kuyert alleen, en schuut 'er meest al de lien, En zijt 'er geweest Zo rustig een geest Als ik 'er ooit heb gezien. 6. Dit zijn de gebreeken Van minnende treken, Wanneer m' een blaauwe scheen Gestooten heeft aan 't been;

Dat geen artzny geneezen kan of kruydt: Maar die deeze man Zou redden hier van, Dat moest 'er dan weeze zijn Bruydt. H.L.Spiegel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De Nieuwe Haagsche Nachtegaal · Anoniem · Poetry Cove