Toon: Repicavan.
CUpidootje, De Zoon van de Godin Vrouw-Venus, Paphos Hoer en Koningin, De Stichter van de brand der liefd', en min; Zocht eens om Rozelinde // (? in bron niet aangegeven) te vinden; Die hy vond treuren in haar eenigheyd, En hoord' haar klaagen: Wat droeve daagen Worden my bereydt! 2. Heeft de liefde (De Minne-godt) die kracht, Dat hy Philander heeft in liefd gebracht, Hy mind my; maar, wat of hy doch verwacht? Kan ik zijn droeve klachten / verzachten?
Wat wil Philander dan dat ik hem doe? Ik kan zijn klaagen Niet meer verdraagen; 'k Ben zijn zuchten moe. 3. Kan ik minnen Daar ik geen min en weet? Ik ben onnoozel, en hy noemt my wreet. Wil hy my lieven? 't komt my ongereet. O groote Goden! kander / geen ander Mijn plaats bekleeden, die zijn liefde blust? Verberg my boomen, Gins sie 'k hem komen. Nimmer heb ik rust. 4. 't Looze boefje Had nauw dit aangehoort, Of greep sijn boog en zag geheel verstoort
Op Rozelinde; die hy, zonder woord Te spreeken, trof in haar harte // wat smarte Gevoel ik Hemel! ach waar berg ik my? (Riep Roselinde) Waar zal ik vinden Lessing? 'k ben in ly. 5. Met zo vluchte Cupido door de lucht. En schatert vast om zijn bedreven klucht. Wijl Rozelinde bleef vol naar gezucht. Philander quam vast nader / wat quader En droever toeval (riep toen Rozelind') Is my beschooren! 'k Min nu, te vooren Sloeg ik 't in de wind. 6. Ach! Philander,
Koom blusch nu vry uw brandt, En leschde mijne. 'k ben heel overmant. 'k Loon nu uw liefde, 'k geef u trouw te pandt. Philander zweeg: maar hoorde / die woorde, En quam zijn waarde Herderin te baat; Waar voor zy t' zaamen Hier na bequaamen d'Eens-gezinde Staat. P.N.
Cookies on Poetry Cove