STEM: O schoone Chariclea
DE blonde dageraat,
Verspreyd haar glans de Telgjes door en door;
Het morgen-sterretje staat,
En flickert met haar straeltjes lieflijk voor,
De vensters van mijn Nymphjes Tent,
Alwaar ik niemant zie omtrent.
't Gevogelt in het wout,
Van blijdschap dertel speeld en tiereliert;
De Telgjes nat bedouwt,
Met blader, loof, en bloeyseltjes verciert;
Getuygen al de zoete Min,
Van mijn verliefde Velt-goddin.
Wiens Leden afgeslooft,
Door 't vryen van de lieve lange nacht,
Leggen door slaap berooft,
Van zoete Min, en minnelijke macht:
Zy ronkt met zoete zuchjes uyt,
Komt Thyrsus by u lieve Bruyt.
Wat zoete droomen zijn 't,
Die gy zo zoetjes prevelt binnens monds?
Eylaci! zo het schijnt,
Acht zy Philander niet, die zo goed ronds,
Hier onder deze groene Tak,
Lerinde eerst van Min aansprak.
Gy weet Lerinde dat,
U lipjes zoet bedoude rooder mond,
Zo dikmaal zijn bespat,
Met Nectar, die Iupijn my heeft gejont,
Te drukken aan u lipjes teer,
Als ik u kusten, en gy my weer.
Wat zoete vryigheidt,
Is in ons vryeragie niet geschied:
Philander droevig schreyd,
Nu dat Lerinde Thyrsus minne bied:
En slaat Philander voor het hooft,
Nu gy zijn zinnetjes hebt gerooft.
't Gaat by de Herders om,
En by de Harderinnetjes is 't gemeen:
Zoo 'k in 't gezelschap kom:
't Is al, Philander heeft een blaeuwe scheen:
Philander leeft in swaer getreur:
Lerinde gaet met Thyrsus deur.