Toon: Petit Joye.
IOnghe dochters, kloek van oordeel, Die hier aan den Amstelkant Boven and're hebt het voordeel Van te vryen met verstand:
Wilt mijn slechtheydt niet verachten, Zo ik u een vrage vraagh, Die om vreughde te betrachten Noch te hoogh is noch te laagh. 2. Seght my, wat 'er op der aarden, t' Samen bitter is en zoet: Dan geacht heel groot van waarden; Dan vertreden met de voet; Dan is 't plomp; dan scherp en spitsigh; Dan is 't vlugh; en dan is 't tam; Dan is 't koud; en dat is 't hitzigh; Dan is 't goet; en dan is 't gram; 3. Dan kan 't lacchen; dan weer schreyen; Dan vol droefheydt; dan vol vreught; Dan kan 't knorren; dan weer vleyen; 't zoekt meest geldt / en zelden deught.
't Is van joncks af blindt gebooren; 't Siet noch deur, noch venster aan; Kond het, 't zou door muuren booren; 't Laat zijn werk en rust vergaan; 4. 't Doet u achter lande doolen; 't Past op pijnen noch op doodt; 't Houdt sijn sieckte niet verhoolen; 't Wordt genesen in uw schoot; Dan zo wordt het vergleeken, By een jong gevleugelt kindt; Dat sijn pijlen heeft bestreeken Dan met heunigh dan met int. 5. 't Kan gelijk de Katten streelen, 't Geeft sijn zoetheydt als een By; Maar het streelen kan verveelen, En sijn angel brenght in ly.
't Wordt gelijk een Visch gevangen; 't wil in 't net al willens zijn: Doch gevangen zal 't verlangen Om te wezen uyt de pijn. 6. 't Is een vyer dat sijne branden Naar geen Zee of water hoort, Om te raaken uyt sijn schanden Moet het zijn met vyer gesmoort. 't Heeft veroovert Goden, menschen, Al wat op der Aarden leeft, Zelfs de vogels hier om wenschen, En dat in de stroomen zweeft. 7. 't Kan gelijk de Duyven trekken Mondt aan mondt, en beck aan beck: 't Kan sijn armen draeyen, rekken, Als de Wijngaart om een steck.
't Kan, gelijk de Mossels hechten Schelp aan schelp, en huys aan huys: 't Helpt sijn lientjens arbeyt slechten, 't Voelt te zamen vreught en kruys: 8. 't Rust by daag en 't werkt in 't donkker, Niet als andre werkers doen: Steeluy, Boeren, Ioffer, Ionkker Tot dit werk haar alle spoen. Bruydegom wilt dit versinnen; Dat zo ghy dit hebben wilt, Ghy uw weerhelft moet beminnen, Want zo wordt uw lust gestilt. 9. Soo de Bruyt dit wil genieten, Moeten sy lieven haren Man, Anders sal sy met verdrieten Derven, 't geen sy krijgen kan.
Een en kan 't alleen niet geven: Een en krijght het niet alleen: Want daar twee te zamen leven, Wordt dit dink eerst recht gemeen, 10. 't Leeft te zamen, 't sterft te zamen, 't Groeyt en bloeyt maar tusschen twee: Soo daar meer ontrent haar quamen, Straks zo breekt de rust en vree. Wilt het by u twee behouden, Laat het waardig zijn en zoet: Laat het by u niet verkouden: Laat het blijven scharp en goet: 11. Zoekt het, doch om enkkel deughden: Zoekt het met een blijde mondt: Houdt het matigh in sijn vreugden; Maakt sijn blindtheydt weer gezondt.
Laat het u sijn pijlen smaken Zonder bitter, zonder gal, Zo 'er gal komt aan te raken, Draaght gewillig 't ongeval. 12. Laat het vlechten sijne rancken, Als de wijngaart takken vast: Dan zo sult ghy u bedancken, Als u tegenspoet verrast. Is 't gevangen laat het blijven In het eerlijk Houwlijks net: Zo zal 't vangen wel beklijven, En uw blijdschap zijn gezet. 13. Laat het vyer met maten branden, Stookt de vlam niet al te seer: Want de Zon zal in dees landen Morgen, acht ik, dalen weer.
Als het Duyfken veel wil woelen; Als het Musken dikwijls speelt, Zal het kaal van pluymen voelen, Dat omnmatigheydt verveelt. 14. Bruygom laat uw Bruyt verklaren Dese vraag en haren sin: Zo sy die kan openbaren, Is sy waardigh uwe Min.
Cookies on Poetry Cove