Op de Wyse: Iet moet ik u Laura vragen.
Poet. Dianier. Koridon
Poe. DIanier roeide in een schuitje Met haar keeltjen onder 't fluitje Van haar vryer Koridon. Doris kroost met natte pruyken Flux quam van de gront opduyken, En zich bakten in de Zon.
Na veel zingens dees gelieven, Beurt om beurt een lied aanhieven, Liedtje, zonder wederga.
Sy prees 't mijen, hy het huwen: d' Een wou vryen, d'ander schuwen. Sy zong voor, en hy peep na.
Dia. MAagden die den rey vercieren Zijn als Febus lauwerieren: Maagden groenen als de palm. Wat zijn vryers woorden heden, Hun beloften en hun beden, Meer als krachtelooze galm?
Ko. MAagden die de min uit sluiten, Hare jeugt verydeltuiten, En verwekken niemants gonst (Men mag 't zus of zo bewimplen!) Och wat is het, als met rimplen
d'Ouderdom het voorhooft fronst?
Dia. VOrhooft frontze, die met zinnen En gedachten staat aan 't minnen Is het niet een zotte klucht, Dat men laat zijn vryheyt slippen, Om het drukken van de lippen, Om een scharrebiers genucht?
Ko. ZOtter is 't jeugts frissche roozen Achtloos te verruckeloozen, En den minnaar slechts te spijt, Na goe dagen, en quae nachten, Vreugt noch zegen te verwachten, Maar elx laster en verwijt.
Dia. KOridon, gy meugt wat praten, Maar ik zal u eeuwig haten, Boeime niet door dwaze trouw, Ko. Dianier 't zijn meyskens vlagen. 'k Zal u eeuwig liefde dragen, En hoog achten als een vrouw.
Dia. IA zo sluyt men met verlangen, Om het vogeltje te vangen, En te sluyten in een kouw. Ko. Neen zo lokt het harders knaapje, Om het afgedwaalde schaapje Dat hy garen hoeden zou.
Dia. KOridon, zet me op aan d' elzen. Ko. Die malkanderen omhelzen?
Dia. Koridon gy zijt een boef. Laat de maagden eenzaam peynzen. Ko. Dianier, hoe kunje veynzen. Zonder vryer, zonder troef.
Poe. Onder spel van zang en fluytje Vat een buy in 't zeyl van 't schuytje, Mit sloeg 't om: zy riep in noot. Hy omarmde Dianiertje; En kreet: water, blusch geen viertje, Dronk met haar een zoete doot.
Cookies on Poetry Cove