Skip to content
1775

De nieuwe Amsteldamsche schouwburg

Anoniem

Het droevig Uyt-eynde der Liefde. Voys: Van de Blauwe Vlag. DE Liefde met een zoet genugt, Baard zo menig droef gezugt, Gelyk ik zal verhalen, Van een Koopmans Zoon verstaat, In de Rotterdamse Palen, Die een Dogter Minne gaat. Deze Dogter met ‘erspoed, Was een Linne nayster zoed, In zijn Vaders huys wild letten, Diende zy voor Kost en Loon, Maar op hy zyn zinne zetten, Op dees Eerbaar Maget schoon. Hy sprak tot haar menigmaal, Met een min- nelyke taal, Schoonste die daar leeft op Aarden, ‘k Kom u bieden aan myn Trouw, Mogt ik schoone Blom vol waarden, Uw genieten tot mijn Vrouw. Zy als een Eerbaare Maagt, Sprak tot mijn geen Liefde draagt, Steld op mijn dog niet u zinnen, Ik en heb niet als myn eer, Gaat een Ed’le Dame minnen, Want gy zijt een Magtig Heer. Deze Jonker reyn van Min, Sprak myn overschoon Godin, Late wij t’zaam vereenen Tot de dood ons leven scheyd, Daar ’s een Ring met zeve Steenen, Tot een blijk van trouwigheyd. Deze Maagt door Min bevaan, Heeft zijn Trouw in in liefd’ ontfaan, Zy omhelsden met haar beyde toen malkander met genugt, en zy zwoeren noyt te scheyden, Waar op zy van hem raakt Bevrugt. Heeft zijn Vader doe gevraagt, om te Trouwen met dees Maagt, Vader wild u niet verstoren Laat het wezen dog u zin, Want ik heb haar Trouw gezwooren, en gekregen tot de Min. De Vader sprak zeer obstinaat, Neen ik dit niet toe en laat, ‘k Zag u liever voor myn oogen Met een Strop om uwen keel, eer ik dit oijt zal gedogen, Kiest een Ryker tot u deel. Vader als het wezen kan, Laat het dog geschieden dan, Laat ons Trouwen t’onzer baten, en ons schanden dog behoed, Want ik zal haar noijt verlaten, Zy draagt van myn Vlees en Bloed De Vader met een looze grond, Sprak gy

moet van hier terstond, Na Muscovie toe varen, neemt daar u Negotie waar, Als gij ’s Huys komt van de Baren, Zult gy Trouwen met malkaar. De Jonker met een goed bescheyd, Heeft dit aan zijn Lief gezeyd, Die daarom droefheyd ging toonen Dog hij sprak met goede moed, Daar zijn duyzend Goude Kroonen, en een Brief al met mijn Bloed. Zy was daar niet mee te vree, Sprak lief laat ik Varen mee, en zy gingen overleggen, Haar in ’t schip te bergen dree, Zonder ymand iet te zeggen, tot zy diep waaren in Zee. ’t Schip voer uyt de Maas zo voort, Na Muscovien dit aanhoord, dog de Zee met Storm en Winden, bragt haar op een Klip aldaar, dat het Schip in ’t kort verslinden, En zy all’ in doods gevaar. ’t Volk kwam te nauwernood, nog te Land met Sloep en Boot, dog de Koopmanszoon verheven, Is op Gods genade heen, op een Plank in Zee gedreven, met dees Maget vol geween. Na twee dagen teyd zeer klaar, Wierden zy het Land gewaar, In Muscovien wild weeten, Kwamen in een Bosch te Land, daar zy zogten na wat eeten, ’t Geen haar diend’ tot onderstand. Als zy zijn in ’t Bosch gegaan, kwamen daar twee Beeren aan, droefheyd zag men hier gebeuren want dees Beeren als verwoed, Gingen deze Maagt verscheuren, Dat dees Jonker treuren doet.

Hy schreef doar op staande voet, Eenen Brief al met zijn Bloed, met het Opschrift daar beneven Waar in dat hij schuld en al, Aan zyn Vader klaar gaat geven, Van dit droevig ongeval. Hy neemt daar een kort besluyt, Ook te sterven om zijn Bruyd, Trekt de degen van zijn Zeyden stakze in zijn Iongerhert, Waardoor hij in korte Teyden, van de dood verslonden werd. Een Pelgrim kwam daar voorby, Vond dees Brief nog aan zijn Zy. Gingze tot Muscou bestellen en van daar op Rotterdam: Aan zyn Vader die met kwellen, de droeve teyding doe vernam. Deze Koopman dit gelooft, wierd van zinnen heel berooft, dat hy weijgerde de gratie, aan zijn Zoon tot d’Egte Trouw, en heeft hem uyt disperatie, gaan verhangen aan een Touw. Hier kan yder geven agt, wat de liefde heeft voor kragt, als twee Herten t’zaam vergaren, Door de liefde reijn van aard, Ouders wild haar laten paren; Eer ’t weerhouden droefheyd baard.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.