3.
Een slokjen kan passeeren
Als 't op zijn' tijd geschiedt,
Dat kan een mensch niet hindren,
Een slokjen, meer ook niet:
een slokjen meer ook niet.
Dat drijft de dampen heen,
En maakt zo hard als steen;
'T bezielt de doffe geesten,
Maar zuipen als de beesten,
Dien dat behaagen kan,
Die is,
Gewis,
Een ongelukkig man,
Een ongelukkig man.