3.
Hoe gelukkig zou het weezen,
Bleef maar ieder bij zijn' pligt,
En die wordt al rasch verricht;
Ik moet met den dissel beuken,
En mijn buurman drijft de schaaf,
Geen van ons is echter slaaf,
Geen van ons is echter slaaf,
Zo slechts zij die ons regeeren,
Ook maar goed zijn voor hun taak,
En dat 's vrij wat zwaarder zaak;
Daarom moeten wij hun eeren,
Als zij doen zo als 't behoort,
Als de deugd hun oog bekoort,
Hun oog bekoort,
Hun oog bekoort.