Skip to content
1734

De mey-blom of de zomer-spruyt

Anoniem

Voys, Gaet wagt me voor dat laantje.

Maer wijl ik zo in vreugde, Vermakelijk droomde hoe wy ons te saem verheugde, En lekker kusten toe. Verliet de slaep mijn oogen, En ik keek als Piet Snot wijl my vond bedroogen, In mijn gelukkig lot. Damon. ’t Schijnt nogtans een teeken, Van uw aenslaend’geluk, Gy sult in ’t kort zien breeken, Al uw voorgaende druk, En schoon dat die Propheeten, In weinig agting zijn; die brood hier moeten eeten, Zo denk nog eens om mijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.