Op een liefelijke vois. 1. Ziet mijn ziel door min gedreven Als een hart dorst naar een Fontein, Engelin laat mij doch leven, Geef uw minnaar medecijn; Wat zijn dat voor vonken? Minnaar zoo laat al in de nacht, Is de liefde dronken? Zijt wel bedacht: Zijn uw wonden rood, laat gij ze verbinden, Gij en zult niet vinden, Ik heb geen zin in Venus lust, En ik en tel geen vrinden Die mij zoo ontrust.
2. Liefje mij ontrust nacht en dag, 't Moet den Hemel zijn geklaagd: En hebt in mijn smert behaag', Om dat gij geen liefde en vraagt;
Als een Maagd kan derven, De dertele vonken van de min, Moet de liefde sterken Ik en heb geen zin; Al uw klagten groot, kunnen u niet helpen, Wilt uw droefheid stelpen, Ik lach met alle uw ellend, Want men is verdronken Eer men 't water kent.
3. De Zeemeermin met haar zoet zingen, Heeft den Stuurman wel verleid Dat men hem in de zee zag springen, Daar zijn zieltje schipbreuk lijd, Houdt uw ziel in waarde Minnaar het doet mij leed en pijn, Ik wil op de aarde Geen verleidster zijn: Want hoe menig' Maagd is er door bedorven? Door den tijd gestorven, Al voor des Iongmans hun gefluit, En een naam verworven Die niet veel en fluit.
4. Meent gij dan mijn liefje geprezen, Dat ik kom uit dertele min? Gij staat in mijn hartje geschreven, Och! verandert doch uw zin; Mijne zin is moedig, Iongman ik ben nog jong en teêr; In den trouw zoo spoedig, 't En begrijpt geen eer: Zoo een maagd als ik, nog maar achttien jaren,
Zou die al gaan paren? En van tien zinnen maken vijf? Ik wil nog wat sparen 't Huwelijks bedrijf.
5. Liefje gij laat mij gestadig zorgen Voor de roosjes in den dauw, d'Eene schuld moet de andere borgen Ik verwacht uw min en uw trouw; Ia wel aan uw komsten Iongman die wordt geapprobeerd, Gij geniet mijn gonsten Maar zoo hij mankeert: Dat gij onreine min in uw hartje woud dragen Om aan mij te vragen, Het geen waarom je mij bemind, Daar ben ik mijn dagen Nooit toe gezind.
6. Als ik maar mag troost genieten, Dan is al mijn pijn gedaan, Cupido uw pijlen die schieten, Ziet haar stuurschheid is nu gedaan; Een getrouwe minnaar Verwint het hart van zijn vriendin, En hij blijft verwinnaar Van haar hart en zin: 'k Ontsluit mijn deur, en ik laat u daar binnen, Kom laat ons beginnen, In dezen aangenamen tijd, Toont uw komst uit minnen, Maar in eerbaarheid.
7. De eerbaarheid dat is mijn Vader, En mijn Moeder de ware deugd, Liefje kom brengt uw mondje wat nader. Lipjes rood is de minnaars haar vreugd; Sa betoont uw lusten Minnaar het is nog in de nacht, Of je nu al eens kusten: Ziet de min heeft kracht: Geenen held zoo kloek kan zich wederhouwen, Die het vuur eerst bouwen, Heeft men tot assche zien vergaan, Die haar leed onthouwen Was wel beraan.
8. Sa minnaar gij moet vertrekken, Want Aurora die komt aan, Febus gaat zijn licht ontdekken, Ik heb mijn min te doen verstaan; Kom mijn zoete Liefje, Wij zullen dan vereenigd zijn, Kom mijn honig diefje, Voor mijn smert en pijn: Zult gij als een Bij den honig uitzuigen; En ik zal mij buigen, O schoonste Vrouw van het Land! De Hemel zal 't getuigen, Blijf mij maar constand.
Cookies on Poetry Cove