II.
Boven de zee.
Zie, een windjen uit het westen
Drijft hen naar de Zuiderzee,
Schepen lijken notedoppen,
En van weerszij blinkt de ree.
Hoor! Een schot! Dat is baldadig,
't Leven is er mee gemoeid;
Had het lood zijn doel getroffen,
't Gas was aan den bol ontvloeid.
Maar geen nood! Daar was geen moedwil,
't Schot was slechts een vriendengroet;
En de schipper, die het loste,
Meende 't met de vreemden goed.
Los kruid kon den bal niet schaden,
En 't gevaar bleek later schijn,
Want geen kogel was geladen,
't Kon dus niet gevaarlijk zijn.