Skip to content
1750

De kweelende godin, of de zingende leyster

Anoniem

Voys: Van ’t Kippehok. Minnaar. Als ik aanzie de heldere Stralen, Die uyt mijn Lief haar Ooge dalen Word ik op nieuw geparst door Min,

Vlugt Bachus vlugt straks uyt mijn oogen, Mijn Philis heeft nog meer vermogen, Elk zijn smaak dit is mijn zin. Weg Dronkaards slimmer dan de Beesten, Ja erger dan de Helsche Geesten, Gy zwoer den Drank van stonden af, Wist gy hoe ik mijn Philis justen, Terwijl ik op haar Boezem rusten, En mijnen Min haar over gaf. Ik wil mijn Philis eeuwig Minnen, Zy die Meest’res is van mijn zinnen, En laat een ander by de Wijn: Als ik dan ben door liefde dronken, Door al het zoet van haar geschonken, En zeg ik Liefste u zoet aanschijn. Als ik dan hoor mijn Philis zingen, Dan roep ik laffe Jongelingen, Ik min verstand ver boven schoon, Verstand zal altijd eeuwig duure, De Schoonheyd duurd maar weynig uure Dat steld de tijd ons klaar ten toon.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.