Op een bekende Voys. Liefste Klaartje alderzoetste Meyd, Ik heb u ruym een Maand gevreyd Liefste Klaartje alderzoetste Meyd, Ik heb u zo lang gevreyd: Alle daag, Even graag, Naar u gezondheyd wezen kijken, Maar gy liet noyt Weer-min blijken; Maar ontvlugte my gestaag. Krelis waar toe diend dat mal gesnap? En jou rammelen als een Lazarus klap: Krelis waar toe diend dat mal gesnap? Zeker Vryer ’t lijkt wel grap; Heeft de Min, In jou zin Zulk een puthaaks Pijl geschoten? Trelize uyt en loop wat kooten: Tot gy Haar krijgt aan jou kin. Ik heb altijd zoo’n zin in jou gehad: Zederd dat je by Kees in de Gort-wan zat Ik heb altijd zoo’n zin in jou gehad: Zederd dat je by Krelis zat: Ach mijn Hart! Wierd verwart In uw krullende blonde lokjes; Zwarte Kap en roode Rokjes: Daar gy Steelun zelfs me tart. Brandje dan zo fel van ’t Minne-vuur: Krelis, ey loop uyt onze Schuur;
Brandje alzo fel van ’t Minne-vuur; Krelis loopt uyt onze schuur? Want jou Vlam, Zo die kwam, Eensjes in ons Hooy te raaken; Sloeg de heele Schuur aan ’t blaaken: En dan wierd mijn Vaartje gram. Ook jou oogjes vol van Minne-vier? En jou zoet gelaat vol geestig zwier: Ook jou oogjes vol van Minne-vier? En jou zoet gelaat vol zwier: Ja jou hals, Blanker als Versche Room van Vaartjes Koeyen, Aan de Minne-vonkjes groeyen, En ik wier zo kwips en mals. Hebbe jou mijn oogen als je zegt Door Min ontsteken lieve Knegt: Hebbe mijn jou oogen als je zegt: Zo gebrand, dat’s zeker slegt! Ik zal jou, Van die rou, Met twee Woorde ligt genezen: Vryers my dog niet belezen; Zy houde ’t aapje dog in d’mouw. Jou gezigt stond altijd stuurs en straf Schikte ik na jouw, je schikte dwars: Jouw gezigt stond altijd stuurs en straf Schikte ik na jouw, je schikte dwars Ja je wijt, Vol van list, Al mijn Vryen zo t’ontlopen: Dat ik noyt jou Schort kon knopen: Of ik wier van jou betwist. Of ik schoon tot Trouwe was gezind, Gy kond mijn tog niet behagen Vrind: Of ik schoon tot Trouwe was gezind, Kond gy mijn tog niet behagen Vrind: Want jou Haar, Door malkaar, Heel verward in een gewosse:
’t Lijkt een Nest vol jonge Mosse: Niet gekamt in zeven Jaar. Zegt mijn tog mijn zoete Engelin: Isser dan geen hoop van Weder-min! Zegt mijn dog mijn zoete Engelin, Isser dan geen Weder-min: Zo denkt vry, Morzige Pry, Datje van mijn droevig klagen: Ons heele Dorp nog zult zien wagen, Tot je mijn eens gunstig zy. ’t Heele Lijf dat is van top tot teen; Als een Haagze Ojevaar besneen: ’t Heele Lijf dat is van top tot teen; Als een Ojevaar besneen: Het Ligchaam lank, Smal en rank, Met twee Kuytelooze Bienen: Daar kan geen Kind in ’t Dorp jou ziene Of ’t word voor je Wezen bank. Loop met Almenakke op beter tijd: Ligt krijgt gy nog hier of daar een Meyd Loop met Almenakke op beter-tijd: Ligt krijgt gy nog wel een Meyd: Weetje hoe, Dat ik doe, Ik houw het met de spreuk van Otje: Daar is zelde zo een scheef Potje: Of daar past een dekzel toe. Loop jouw spijtig Varken als je bent, Die opregte Vryers hoond en schend: Loop jouw spijtig Varken als je bent ‘k Hebje noyt zo kwaad gekend: Maar je zal, Mede al, U te laat hier van beklagen: Want men ziet het alle dagen: Hoogmoed die komt voor den val.
Cookies on Poetry Cove