Stem: Van de valsche Munters. Ziet de Zomer die komt weer, Kijk de Boompjes staan te bloeye, Lon la la laridideda, Hoord hoe dat het Pluym-gediert, Lustig zingt en tiere-liert, Van toere loere la, Ut re mi fa sol la. Govert die vrijd gints zijn Trijn; In de Laan onder de Boompjes,Lon &c. ’t Visje dat nu helder springt, En het Nagtegaaltje zingt,Van &c. En de koetjes in de Wey, Die zijn wakker aan het grazen,Lon &c. De Uyertjes gespannen staan, De Boer komt om haar t’ontslaan,Van &c. ’t Bokje dat nu tierig word, Die gaat op zijn Gijtje springen,Lon &c. Hy vermaakt hem met zijn Geyt, Als de Vryer met zijn Meyd,Van &c. Damon vind zijn Galathe, Onder ’t lomm’ren van de Bomen,Lon &c. Hy vermaakt haar met zijn Riet, Wijl zy kweeld een geestig Lied,Van &c. En den Harder Philoman, Komt by zijn Rozette treden,Lon &c. Hy omhelsde haar in het Groen, En hy gaf haar zoen op zoen,Van &c.
’t Doffertje dat trekkebekt, Met zijn aangename Duyfje,Lon &c. En de Leeuw’rik met genugt, Zingt tot boven aan de Lugt,Van &c. ’s Morgens als Aurora daagt, Dan hoord men den Kikvors knorren:Lon &c. En het Haantje staat en krayt, Wijl het Wintje koeltjes wayt,Van &c. ’t Woordje met zijn Eendje zwemt, In de zoete Water-stroomen,Lon &c. ’t Zwaantje met zijn Witte-veer, Dat zwemt mee al heen en weer,Van &c. De Oyevaar gestadig loerd, Om den Kikvors te bedriegen:Lon &c. De Rijger met een snelle vlugt, Vliegt tot boven aan de Lugt,Van &c. En den Hengelaar die staat, Om wat Snoek of Baars te vangen,Lon &c. ’t Dobbertje in ’t Water leyd, ’t Visje dat na ’t Wormpje bijt,Van &c. Japik die gaat met zijn Paard, In de Wey het Land beploegen,Lon &c. Wijl de Koekoek om een hoek, Schreeuwt niet anders als Koekoek,Van &c. Vryers neemt uw Vrijsters mee, En beschouwt deez’ zoete dingen,Lon &c. Neemt haar zagjes by de hand, En leyd haar door het groene Land,Van &c. Mannen die een Vrouwtje heeft, Wild te zaam na buyten treden,Lon &c. En vermaakt haar in de Wey, By de Beekjes in de Wey,Van &c.
Cookies on Poetry Cove