Stem: Geeft een Almoes voor een Blinde. Zal ik dan geen troost verwerven? Seg myn lieve Clorimeen, Voor het uurtje van myn sterven, Met myn traanen en geween? Kon ik ’t op Schaape vagten, Schryven hoe dat ik veel nagten, Heb gewaakt door kuisse min, Trek de Pylen, trek de Pylen, Uit myn Minneborst? Godin! d’ Ondervinding doet ons leeren, Hoe dat waterdorp een steen, By na kan geheel verteeren, Nog kan ik door myn gebeên, Uw zeer hart versteende tippen: Niet verzagten met myn lippen O! wat steene hart hebt gy, Want gy hoorde, Want gy hoorde My t’ontvangen aan uw zy. Heb ik u in al myn leven, Ooit of immers iets misdaan? Hoe vaak, wy door beuke dreeve Of door groene linde blaan, Ons gewolde Schaapjes leiden Over berg en groene Heiden, Denk dog eenmaal om het loon, Op dat gy my, op dat gy my Strekken moogt tot eene kroon. Niet een kroon van Lauwerieren: Maar van Palm en Tuberoos, Souw uw en myn Kruin
vercieren, Als gy tot uw Lief uit koos, My die schier geheele daagen Niet doe als verdrietig klaagen Ik betreur mijn eerste uur Dat ik leefde, dat ik leefde Hier op Aarde kort van duur. Ik zal nog de teering krygen So ik u myn Lief niet erf, En van smert ter nederzygen, Door den min waar van ik sterf, ‘K zal dan op myn Graf doen zetten Hoe de min my ging verpletten: Op dat het een yder ziet, Dit’s de Herder, dit’s de Herder, Die hier storf door Mins verdriet Als gy u aan my woud’ geven, Soud gy by de Goden zyn, Meer in top van eer geheven, wyl gy in het leven rein, Hielt een Harder die de liefde So syn hert en ziel doorgriefde, Dat hy niet meer tegen kon, Maar door u nu maar door u nu, ’t Leeven voor het sterven won.
Cookies on Poetry Cove