Een Nieuw Lied.
Op een Aardige Wys.
1.
Myn gedagte die stelt myn in,
En gedenkt niet meer aan de min,
Maar gedenkt meer aan de stonde,
Die den tyd lang heeft gevonden;
Het is genoeg dat ik myn begeeft,
En voor u alleenig Leeft.
2.
Maar als ik gedenk aan den noot,
Ja dan gedenk ik aan het woord,
Al uit uw lieven mond tot myn gesproke;
Hand aan hand in een gesloten;
Toen ik tot u uit liefde spraakt,
Als gy myn maar nooit verlaat.
3.
Maar gy wist dat ik u minden,
Maar gy zyt verandert van zinnen,
Wilt dees wys nooit opgetogen,
Trouwheid was niet weggevlogen,
Vreemt gebroet dat werd gelooft,
Maar die ik minde is myn ontrooft.
4.
Daarom vraagt niet meer aan my,
Waarom dat ik treurig zy,
Want al myn hoop is nu verlooren,
Ik ben tot verdriet gebooren;
Goôn weet of daar ooit een dag,
Vrolyk voor myn weezen mag.
5.
Maar als ik zal begraven weezen,
Zo zult gy op myn graf steen leezen
Hier al in de duister graven,
Daar leid myn allertrouwst begraven
Die gestorven is voor zyn tyd
Puur uit liefde en tederheid.