Skip to content
1780

De drie kemphaantjes

Anoniem

Een Nieuw Lied van het Schip Concordia. Op een Aangenaame Wys.

1. Kom hier Oost - Injevaarders al, Ik moet uw wat verhaalen, Hoe dat ik laast in dit geval, Zo droevig ben gevaaren, Al van de Kaap de bon essprans, Met ons ses Scheepen vol en gans, Zoude na huys toe zeyle, Een-en-twintig hondert meylen.

2. Wy zeylde zo al zaggies voort, Op 't Eylant Sint Helena;

In 't zoet saisoen aanhoort, Alles is ons verscheenen, Eerst voor de Wint zo bakstaag heen En was in vreugde zo 't scheen, De Lienie wy passeerde, Zonder dat ons iemant deerde.

3. Van daar zo Zeylden wy al mee, Tot in de krose weyde, In de Zuid Amerikaanse Zee, Wie zou zig niet verbleyden, Maar die blydschap deurde niet lang, Want een korte tyd daar an, Gingen zy haar haast wende, In droefheid en Elenden.

4. Wy praayden daar een portegies Die ons het ging beleyden, hoe dat holland, en Engeland, Te zaamen deede streyden, Maar hy maakte ons niet verstoort, Tot korpes en floores aanhoort, Daar zeylde wy zeer lustig, Dat maakte ons onrustig.

5. Om reeden van een laager wal, 's Nagt gingen wy by draayen, Des 's Morgens kwam by dit geval Een Engels Schip ons praayen, het was 's Morgens onder 't eeten tyd Dat hy ons praayen kwam met vlyt Ouder Ses of seeven glaasen, het geen ons deedt verbaazen.

6. Hy riep van waar komt jou reys, Ons Capitein sprak zeer waardig, Wy zyn van de Kaap gegaan, Met ons zes Scheepen vaardig, Toen antwoorde de Vyant terstont, Stryk jou vlag of ik schiet u in de gront, Wilt gy jou Vlag niet stryken, hy schoot dat waaren blyken.

7. Ons brassen en ons looppent goed Alles was stuk geschooten, So dat wy niet met der spoet, Ons hulp konnen vergrooten, Wy waren de laasten van de vloot Toe hy ons terstont doorschoot, En ons deed aanranden, Dat het waater ons vermanden.

8. In plaats dat onze kommendant Ons tot hulp zoude komen, Maakte hy meer Seylen kant, Om dat hy was in schroomen, Daar twee Schepen van de vloot, Mie meede dapper op hem schoot, Maar een die was in vreezen, Die is niet waart gepreezen.

9. Maar toe hy zag dat ons bystant, van Scheepen kwam vergrooten, Toe ging hy terstont van kant, En deedt geen meerder schooten, Maar toe hy digt was by de vloot, het geen ons nog 't meest verdroot

Dorst hem niet meer vertrouwen, het was om de loef te houden.

10. Toe ging hy daar van ons af, Tot lof van deze Scheepen, wy zaggen dat hy zeynen gaf, Soo veel als wy begreepen, Syn Sloep ging zetten buyten boort het geen wy zaggen dit aanhoort Onze kommedant wou spreken, So als het is gebleeken.

11. Aan stuurboort kwame zy aan boort wy waaren zeer ontsteeken, Toen ging den rekel heel verstoort, Onze kommandant aanspreeken, Gy zult myn hier van stonden aan, Een van uw Scheepen geeven gaan So niet ik zal verblyden, k moet morgen met uw stryden.

12. En neemen uw tot meynen prys, Ons kommendant met beeven, was zeer ontstelt wou op zyn wys, hem doen prezenten geven, En ging hem dog van stonden aan, Om dat den Engelsman heen zoud gaan, Heeft hem een kassie Thee gegeven, Vol angste en vol beeven.

13. Ons Scheepie sonk hant overhant, De pompen konnen niet meer helpe Wy deeden zeynen van bystant, En zy deede ons helpen,

De sloepe kwaame by ons aan boort, Ons Scheepie ging te gronde voort, Zy deede ons verblyden, Dat zy ons dog bevreyden.

14. Toe deede wy daar onze best, Om maar van boort te koomen, Een ieder wou niet weeze het lest, Wy vreesde voor de stroomen, Toe werden wy terstont verdielt, Om Concordia was vernielt, Op resteerende kielen, Daar hy ons deed beh. ielen

15. Elk is daar op gebleeven hoord, En een doot geschooten, 's Nagt zetten ons koers weer voort Naar kadex onverdrote, Maar een weynig teyd daar aan, Een spaanse Vloot ontmoeten daar, Wy Kaap Vinsent pasceerden, En daar by ons konfieerde.

16. Toe waaren wy alle verblydt, En niemant meer in vreezen, Daar wierd terstont ons aan gezeyt, Waar dat wy moete weeze, De loose kwam mee by ons aan boort, En wy zeylde zo zaggies voort, Tot kadex op de reede, Daar leggen wy in vreeden.

17. Maar wanneer wy kome hier van daan Dat kan ik niet beschreyven,

Ik verwagt met 'er haast te gaan, Ik hoop Godt met ons blyven verders schey ik met digte uyt, En maaken hier nu myn besluyt, Myn pen wil niet meer schreyven, Ik zal hier maar by blyven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De drie kemphaantjes · Anoniem · Poetry Cove