De Beklaagende Minnaar.
Op een Aangenaame Wys.
1.
Adieu dan Vaderland en vrinden
Ik moet na zee,
Adieu zoet lief die ik Beminden:
Die ik met lust
Soo dikmaals heb gekust.
2.
Ik weet Jongmans u soete woorden,
U lief gelaat,
Die een jonge Maagd haar hart bekoorden,
Ik blyf in getraan,
Gy moet na Indiaan.
3.
Ach Ach hoe zuur valt my dit scheiden
Dat ik van u,
Van myn waarde zielsvoogdes leyden,
Hemel wat verdriet,
Ik moet en ik kan niet.
4.
Daarom minnaar houd op van klaagen,
'k Weet dat gy moet
Op de Zee u jong leven waagen,
Denkt 't woord van myn,
God zal u Trooster zyn.
5.
Gy zyt de schoonste Lief op de aarde,
Myn waarde Pand,
Wy zulle samen Trouw aanvaarde,
Zoo dra ik kom aan 't Land,
Houd u dog maar Constant.
6.
ô minnaar wilt dog niet treurig weezen,
Blyft myn getrouw,
Daar voor zal ik dood nog baaren vreezen,
'k Geef myn regter hand
Myn bloed voor u te pand.
7.
Ik zal het Jawoord wel onthouwen,
Myn lieve Lam,
Wy zullen met elkander trouwen.
'k Heb u handschrift zoet,
Geschreeven met myn bloed.
8.
Adieu zoet Lief myn uitgeleezen,
Voor 't laast vaarwel,
ô schrik om u ben ik vol vreezen
Voor 't laatst vaarwel,
Adieu schoon Isabel.
9.
Nog eens een kusje voor het leste
Bewaar u blom,
Dat is voor u het allerbeste,
Bewaar u blom,
Tot dat ik weder kom.