Minne-Sang.
Stem: Courante la reyne.
ROem waerde schoon Goddin,
Ick offer u mijn klagten,
Dagh ende nachten
Leght gy in mijn sin,
Dewijl ik ben verwonnen door de min:
Gy zijt mijn leven, mijn geneught,
Als ick maer by u ben, ick ben verheugt,
V deughdens gaven,
Mijn herte laven
Door een groote vreugt.
Goddinne weest gekroont,
Hoe konstigh sijn u leden,
Van Natuyr besneden,
Die in uwe schoont
Het proefstuck heeft alleen an u betoont;
Het blos dat op u wangen speelt
Gloeyt uyt de gront van sulck een Lely beelt:
Ia selfs de rosen,
Van schaemte blosen,
Als s'aensien u beelt.
Geen schilder met penceel
Sou immer durven talen,
Soo een beelt af te malen,
Als gy o schoon Goddin,
Waer door gy legt begraven in mijn sin;
Ick sal beswijcken Engelin,
Soo gy niet toont an my u wedermin
Door uw lonckjes
En minne vonckjes,
Helpt dan schoon Goddin.
Princesse uwe deught
Is niet te vergelijcken
By Ophirs rijcken,
En u groote vreught,
Die altijt mijn droevig hert verheugt,
Ach noyt volmaeckte Engelin,
Gy die my dringht altijt door hert en sin:
Ia Venus wagen,
Sal u schoonheyt dragen
Van d'aerd ten Hemel in.
Apollos blijde riet,
Noch Orpheus soete snaren
Kunnen bedaren,
Mijn rampen en verdriet;
Indien ik o godin u niet geniet
Voorseker dat mijn herte berst,
Van yder sugt, die daer wierd uytgeperst
Salveert mijn leven,
Wilt genaed geven
op dat 'k weer ververs.