Naer de Wyse: Beweent nu uwen val, al.
De Philistinen stam quam, te velde even gram Tegen d’Israeliten, Met den Reus Goliath, Die was van Godt, Den selven tradt, Om Israel te verwijten, ‘t Gen’ haer misfat. Israel was bevreest meest aensiende desen geest Die haer dagelijckx quelde wel veertigh dagen lang Met zijnen sangh, riep vrij en vrang: Slady my uyt den velde, Wy zijn in u bedwang. David op eenen dag sag, Waer hy den Reuse lag ‘t Volck sprack wie kan hem dwingen, Sal ‘s Conincks Swager zijn, Door sulcks gepijn, Sijn Dochter fijn, Sal hem den Conink brengen, voor desen Philistijn. David hoorden ‘t geset, net,
En vraeghde wel drij-mael bet, Sijn Broeder dit verstaende, Vervolght door haet en nijdt, En sprack gy zijt, Om u jolijt, Herwaerts komen gaende, Aensiende desen strijdt. David sprack door den noodt, groot, Want hem Saul ontboot, Niemandt laet zijn herte kerven, Om dit schimpingh versmaen, Weest onbelaen uw’ knecht sal gaen In den naem des Heeren, de Philistijn verslaen. Saul sprack in dit fatsoen, Dat en kondy niet doen, Den Reus kloeck van affairen, Is van zijn jonckheydt aen, Een Oorloghs man, die strijden kon: David sprack Leeuwen en Beiren, Ick eertijdts wel verwan. Den Coninck op dit pas, ras, Gaf David zijn harnas, Een sweert op zijnder zijden, Toen stondt David bedroeft, Hy heeft vertoeft, soo ‘t wel behoeft, En sprack aldus te strijden, En heb ick noyt beproeft. Vijf steenen hy in den sack, stack, Al meer dat hem ontbrack, zijn slinger hy aenveerde En gingh vrijmoedigh voort, Den Reus aen boort, die wert verstoort,
Met vloeken hy hem weerde dus vielen zy discoort Nu komt herwaerts tot my, gy, Verscheuren wil ick dy, Werpen zijn vleesch de dieren, En vogelen op het velt, Sprack desen helt, Geheel ontstelt, David reyn van manieren Heeft hem daer op verstelt. Nu gy u met een sweert, weert, En Schilt soo gy begeert, Soo kom ick in de name Des Heeren Zabaots, Israels Godt, die gy bespot, Heden wert u lichaem spijs der dieren lot. Dus quam dan Reus daer heen, treen, En dacht David t’ontleen Maer David liep hem tegen, Naer des Conincks bevel, Met slinger spel, ‘t Verginck seer wel, Goliath wert verslagen, Looft Godt van Israel. De meeste die men in ‘t landt, vandt, Wierp David daer in ‘t sandt, Ses ellen was zijn mate, Eer David dit gelooft Af hieuw zijn hooft, Noch weer berooft Der Philistinen state, Soo heeftse Godt verdooft Der Philistinen zat quaet, wert geheel desolaat Toen sy Goliath sagen verslagen in den strijdt, Elck liep subijt, ‘t Was meer dan tijdt, David heeft mede gedragen het hooft tot haren spijt. Dat hooft dat hy af-sloegh, vroegh,
Hy tot den Coninck droegh, Daer naer kreegh hy met pijnen des Conincks dochter schoon, Tot zijn loon, Voor die persoon Noch hondert Philistijnen Moest hy van Coninck doen. Princen door u advijs, wijs, Kreegh david daer den prijs, de Heydenen hy tracteerde dat Saul heeft geseyt Mijn Majesteyt, wert hem bereyt, Israel triumpheerde, Met groote heerlijckheyt.
Cookies on Poetry Cove