Skip to content
1655

Bybelsche historie liedekens

Anoniem

Stem: t’Vlas is van de rocken gewaeyt. In Babylon met onverstande Eert men Bel den Afgodt stom, Men ded’ hem ongelijcks offerhande, Twaelf mudde Tarw Meel en Blom, En veertig Schapen t’eender som, Dry amen wijns dat was zijn proven, Cyrus den Coninck quam hem loven Dagelijcks met zijn Edeldom. Maer Daniel aenbadt den Heere Sijnen Godt met groot ootmoet, Den Coninck sprack ten selven keere.

Hoe komt dat gy Bel geen eer en doet? Geen Afgoden sprack Daniel vroet En dien ick, maer mijn Godt vol waerde, Schepper van hemel en van aerde: Toen sprack den Koninck metter spoet. Kent gy Bel (dit is mijn vragen) Niet voor eenen levenden Godt loyael? Siet gy niet dat hy alle dagen Eet en drinckt soo menigmael? Daniel die loegh om sulck verhael, En sprack Heer Coninck gy moet weten, Dat desen Bel niet en heeft geten, Hy is gegoten van Metael. Dit ded’ des Conincks toorne rijsen, Bels Priesters ded’ hy komen snel, En sprak kond’ gy my niet bewijsen Dat dese spijse etet Bel, Soo sult gy de doodt sterven fel. Maer kont gy wel voor my doen blijcken, Dat Bel met al den kost gaet strijcken, Soo sal dan sterven Daniel. Want groote lasterlijcke dingen Tegen Bel heeft gesproken hy: Daniel en den Coninck gingen Ten Tempel waert de Priesteren by, Die seyden, Heer Coninck stelt gy Selver de spijse, wy gaen buyten, Ende wilt selver de deure sluyten, En zegelen toe met uwen Rinck vry. Den Coninck volghde dit exempel,

Daniel ded’ zijn knechten saen Met asschen bestroyen al den Tempel, De deure bezegelt was toegedaen, De Priesters zijn in den nacht gegaen Met al haer Kinderen ende Vrouwen, t’Seventigh waren de Rabouwen, Sy en lieten daer geen spijse staen. Den Coninck quam vry onverdroten, Met Daniel des morgens vroegh, De deure bezegelt stont nogh gesloten, Men dede die open net genoegh, Den Coninck haest zijn oogen sloegh Naer Bel, en riep naer zijn mogen, Bel gy zijt groot een Godt onbedrogen: Maer Daniel die stondt en loegh. Hy sprack, Haer Coninck merckt hier beneden Op de voet-stappen groot en smal, Den Coninck sprack hier hebben getreden Mans, Wijfs en Kinderen over al, Den Koninck seer toornigh beval, Bels Priesteren met groot verstrangen, Wijfs en Kinderen te vangen, Daer quamen sy in groot getal. Sy moesten wijsen die speloncken, Daer sy door quamen in den nacht, En hadden al ge-eten en gedroncken, Dat daer ter tafel was gebracht, Den Koninck lietse dooden ontsacht: In Daniels macht werde Bel gegeven,

Die wert gebroken daer beneden, Al zijnen Tempel kleen gracht.

Die van Babel eerden een Drake, Den Koninck roemde op het Serpent, Daniel sprak Heer Coninck ist sake Dat gy my wilt geven consent, Sonder sweere of sulck instrument, Sal ick den drake wel doen sterven: Den Coninck liet hem macht verwerven, Hy dede bersten den drake jent. Die van Babel zijn opgeresen Tegen den Coninck in ‘t openbaer, Sy namen Daniel gepresen,

Door Abakuck sondt hy hem eten, Den Engel bracht hem by zijn haer. Den Coninck quam om te beweenen Daniel op den seve-sten dagh, En hy sagh in den kuyl met eenen, Daer hy Daniel sitten sagh: Hy riep luyde sonder verdragh, O Daniels Godt, gy zijt bevonden Alleen Godt groot om vermonden, Alsoo men wel oorkonden magh. Daniel trok men uyt den kuyle, Maer die hem wilden brengen ter doodt, Die wierp men in der Leeuwen muijlen, Sy wierden al haest verslonden bloodt, Aldus is Godts genade groot Over die hem niet al haer sinnen Vreesen, berouwen en beminnen, Godt en verlaetse in geenen noodt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Bybelsche historie liedekens · Anoniem · Poetry Cove