Op de Wyse: Alst begint
Nu singht, en speelt, nu rijdt en danst, Nu looft den Heer der Heeren, die ons met d’overhandt bekranst, Placht hem een kroon van eeren:
Hy is die al de banden van Ons slavernije breken kan, En onsen rouw in vrolijckheyt verkeeren. Den Heere gedanckt aen sijn verbont, Over sijn uytverkoren: Looft hem met ziele tongh en mondt: Die Israel staet voren, Die Iacobs huys en dienstbaerheyt Onder sijn schaduwe verspreyt: Prijst sijnen Naem en wilt nu vreught oorbooren: Hy is den Godt van Abraham, Isaac en Iacob machtigh. Die nu tot Coninck salft den stam, Den stamme Iuda krachtigh, Die ons naer ‘t soet beloofde Landt Geleydet door sijn stercke handt, Om ‘t heerschen in ‘t Landt Canaan eendrachtigh/ In ‘t Landt daer Melck en Honinck bloeyt, Daer den Iordaen beneven Stroomt, die uyt veel beekjes groeyt, Van het steyl geberght verheven, Daer als de baren van de Zee, Oft sandt der stranden nu alree, ‘t Zaet van Israel doet sijn vyanden beven. Looft desen Krijghs-heldt onvervaert, Die Peerden, Ros en Wagen, ‘t Gewapent hert met schilt en sweert Heeft mannelijck verslagen: Met den verstockten Coninck trots Bouwt op dees klip en stercke rots,
Die niet en vreest voor stormen en zeevlagen. Den rootschaerlaken Mantel breyt, Van ‘t roode Meyr hy scheurde, En heeft gulzadigh geplaveyt Een effen straet, waer deur de Hebreen ontwecken haer misval Tusschen twee mueren van Christal, Daer Pharao den lesten sucht treurde. Pharao die ons op den hiel vervolghde met zijn Scharen ‘t Zee water stormigh overviel Met d’zwalpen van de baren, Die ‘t voorhooft berghden ‘t gestert, In den afgrondt vernedert wert, Speelt ‘s Heeren lof op harpen en op snaren, Pharaos wimpelen ontdaen, En sagh men niet meer swieren, Noch ‘t Bloedt zeyl van zijn oorloghs vaen, Noch al zijn roep Bannieren, Sijn wagens en geslepen stael Sonck met zijn rustingh al-te-mael, Wilt hem op ‘t plat van zijn Altaren vieren. Bouwt al op hoop op desen steen, Bouwt uw’ geloove vaste Op de Monarchie der Hebreen, Die Pharao verraste
En prent, maer schrijft noch in uw’ hert, Godts goedtheydt vol genaden, Die ons doodts muyle heeft ontruckt: Groen palm en miere tacken pluckt, Croone ciert en vlecht u hooft met louwer bladen.
Cookies on Poetry Cove