Stem: Het daget uyt den Oosten, &c. Daer was een seer rijcken, Man, die daer in welden sat, Hy heeft laten blijcken, In kleederen zijnen schat, En maeckte goede ciere, ‘t Was zijn maniere. Daer lagh seydt de Schrifture, Een Broodt-bidder, die hiet Lazarus voor zijn deure, Maer eylacen men gaf hem niet, Niemant op hem en dachte, die wat brachte. Hy lagh vol groote smerten, Vol zeeven en gepijn Niemandt en sterckte zijn herte, Met broodt noch oock met wijn, De honden tot hem keeren, Lickten zijn zeeren, Tot bermhertigheyt streckten den armen Lazarom Soo dat de honden leckten, Sijne smerten rontom Het was voor zijn pijne, Geen Medecijne. Hy en heeft niet genoten nog de kruymelen daer Van die daer overschoten, Van zijnder tafel klaer, En mocht hy niet genoten, ‘t Zijnder verdrieten Den rijcken Man verheven, Hooghmoedigh Lazarum sagh,
En heeft hem niet gegeven die voor zijn deure lag Soo dat Lazarus blijde, Raeckte uyt lijde. Dus heeft hy niet verworven In zijnen grooten noodt: Lazarus is gestorven, En in Abrahams schoot Van de Engelen gedragen, Al in dien dagen. Den rijcken met zijn haven, die stierf ook korts hier naer, Sy hebben hem begraven, Al in de helle daer, Met al zijn groote welde, Hy seer bequelde Als hy na Schrifts oorkonde, nu in de pijne lag Soo quam ten selven stonde Dat hy Abraham sag En Lazarus met name, Beyde te samen. Soo heeft hy met veel kermen, geroepen met luyder stem, O Vader wilt my ontfermen, En wilt hier daer ick ben In mijn seer groot ellende, Lazarus sende. Dat hy zijn vinger steke, In ‘t kout water want Ick verga van gebreken hier in den grooten brant En mijn tonge verkoelen, Dat ick ‘t voele. Abraham wel verheven die sprack sone gedenckt Dat gy in uwen leven, Seer veel goede ontfangt Dan Lazarus vroegh en spade, Haddet quade. Nu is hy in zijn lijden, Geheel vertroost van my Dat gy als nu ten tijden Gepeijnigt: want daer zy Een seer groot onderscheyden Tusschen u beyden. Dat al die daer geraken Ter plaetse daer gy zijt Niet en mogen naken, Met vred’ Davids jolijt, Elck krijght sonder verschoonen, Sijn beloonen. Noch sprack hy met droefheden,
Niet wesende gestilt, O Vader doet my een bede, En Lazarus seynden wilt, In ‘t huys van mijnen Vader, Allegader. Ick heb noch vijf Gebroeders, Seght haer op dit saisoen, Dat sy als wijse Gebroeders oprechte boete doen, Op dat sy niet en komen, In ‘t beschroomen. Abraham liet hem weten, Sijn woorden hy weerley, Sy hebben de Propheten en Moyses alle bey Willen zy die niet hooren ‘t Is verloren. Want soo jemant opstonde, Van den dooden voorwaer, En ick hem henen sonde, Sy en souden by haer, Hem geen geloove geven, noch aenkleven. Dit is tot een parabel van Christus self geleert En houdt het voor geen fabel, dat iemant wederkeert. Om jemandt te vermanen, Soo veel wanen. Prince wilt zijn gedachtigh, Den armen in den noodt, Want Aelmoessen krachtigh, Verlosten van der doodt, Want het werck van Charitaten, Kan veel baten.
Cookies on Poetry Cove