Skip to content
1655

Bybelsche historie liedekens

Anoniem

Op de stemme: Eenen vremden droom der droomen.

Naboths Wijn-bergh was gelegen, Te Israel In Achabs Palleys ter degen,

Seer bequaem en wel, Om eenen Dool-hof te maken, Voor Achab onvroet: Dus Achab met vierig haken Sprack tot Naboth soet. Geeft my u wijnbergh gepresen, Heeft Achab vertelt, Voor een beter uytgelesen, Of wilt gy voor gelt: Maer Naboth ten selven keeren Sprack tot Achab fijn, Dat laat den Heer der Heere, Heere, verre van my zijn. Sou ick mijn Vaders Erven Geven, sprack Naboth, Ende mijnen Wijnbergh derven, Dat en laete Godt My doch niet toe: dees antwoordt Soo van Naboth quam Hierom hem Achab verstoorde, Toornigh ende gram. En hy ginck naer huys al treuren, In zijn geest bedroeft, En heeft t’eenige uren Oock geen broodt geproeft, Want droefheydt had hem bevangen, En benouwt seer fel Siet toen quam tot hem gegangen Sijn Wijf Iesabel. En sy sprack wat is u heden Voor een droefheyt siet: Achab sprack ick heb gebeden

Aen Naboth met vlijt, Om zijnen Wijngaert verheven, Ick sprack met bescheyt, Maer hy wiltse my niet geven, Hy is my ontseyt. Iesabel ?? selven stonden Sprack, het is geen noodt, Daerom weest goedts moets bevonden, Komt wilt eten broodt, Ick sal u den Wijn-bergh schoone Hebben doen seer snel: Wat waer u conincklijcke croone, Dogh in Israel. Dus heeft zy Brieven geschreven Aen de Oudtsten der Stadt, Gy sult Naboth nemen het leven, Ick beveel u dat: Dus stellet twee loose boeven, Boos ende obstinaet, Die tuygen naer het behoeven Van Naboths misdaet. Die Oudtsten hebben gemeenen Met commissie groot, Dan Naboth aldaer doen steenen, En brengen ter doodt: En sy seyden onverholen Aen Iesabel saen, Alsoo gy ons hebt bevolen, Hebben wy gedaen. Als nu Iesabel dat hoorde, Dat Naboth doodt was, Naer Achab was dat zy spoorde,

En seyde het hem ras: Staet nu op wilt droefheydt slijten, Neemt den Wijn-bergh Heer, Naboth der Israelijten, Hy en leeft niet meer. Achab stont op met verblijden, En ginck metter spoedt, In den Wijn-bergh sonder meyden Van Naboth seer soet: Daer ginck hy sonder cesseren: Maer op het selve pas, Toen quam daer het woordt des Heeren, En riep tot Elias. Maeckt u op sonder versagen, Seght Achab dien sin: Gy hebt Naboth doodt geslagen, En genomen in: Op die plaets sonder vertrecken, Daer Nabodts bloedt swaer Lagh, sullen de honden lecken Achabs bloedt voorwaer. Te Israel aen de mueren, Spreeckt den Heere vrij, Sullen de honden verscheuren Iesabel, dogh sy Wert van de honden gegeten Tot een eeuwige schant’, Want zy dooden de Propheten, En Naboth valliant,

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Bybelsche historie liedekens · Anoniem · Poetry Cove