6.
Wij zijn, zegt men, voor min geboren,
En als wij minnen, is 't een pligt,
De liefde wreedelijk te smooren,
Al toont zij zig in 't wenschlijkst licht -
Ach! dat men bij het loflijk bouwen
Der Vrijheidszuil, ons haatlijk lot,
Dat grouwzaam lot in 't oog mogt houên!
Elk meisjen werd een patriot,
Elk meisjen werd een patriot.