5.
'K denk wel dikwijls in mijn gissen
Aan een' pakker, aan een schuit,
Aan een schepnet, en aan 't visschen,
Maar de droes vaart in mijn huid,
Zo ik somtijds in mijn gissen,
Op een' beul of diender stuit;
Zo ik somtijds in mijn gissen,
Op een' boul of diender stuit.