3.
Ernestus heeft mij doen beminnen,
Hij trof mij door verstand en deugd,
Zijn leest betoverde mijn zinnen,
Hij is in 't opgaan van zijn jeugd;
De roozen bloejen op zijn kaaken,
Zijn oog is vol van 't schittrendst vuur;
Wat meisjen zou niet moeten blaaken,
Voor zulk een pronkstuk der Natuur!
Voor zulk een pronkstuk der Natuur!