2.
Meest streng zijt gij, o wreede liefde:
Voor 't onderworpen maagden-hart;
'T gevoelt dat uwe schicht het griefde,
Maar 't vindt geen uitkomst in de smart:
De pligten leggen het aan banden;
Het leeft in een gevangenis,
En klaagt alleenlijk aan de wanden.
Dat hef op 't hoogst rampzalig is,
Dat het op 't hoogst rampzalig is.