2.
Heel den dag ja is hij bezig;
Maar wat doet dan toch de vrouw?
O 'k word avrechts in mij zelve,
Als 'k het huwlijk eens beschouw:
Na den arbeid gaat hij rusten,
Drinkt zijn fleschjen, speelt zijn spel;
Maar wat is het lot van 't vrouwtjen?
Wanneer' rust de sloof toch wel?